Warnard van der Wel

 

De droogmaking van de Wilde Veenen werd voor jonkheer Van der Wel een desillusie.

 

MOERKAPELLE - "Soo is 't, ... dat zijluyden ... sullen mogen bedijcken ende droochmaeken de uytgeveende dobbens, plassen ende poelen, gelegen in deselve Wildeveenen onder Schielandt". Met dit octrooi van de Staten van Holland en West-Friesland kon jonkheer Warnard van der Wel op 8 oktober 1646 aan de slag. De ambachtsheer van Moerkapelle en Wilde Veenen mocht de plassen rond zijn dorp gaan droogleggen. Het was een historische gebeurtenis: het zou de eerste droogmakerij in het Zuiderkwartier van het gewest Holland worden, maar de droogmaking van de Wilde Veenen werd voor jonkheer Van der Wel een desillusie.

 

 

Durfkapitalist.

Warnard van der Wel was een ondernemend man. Voordat hij de drooglegging van de Wilde Veenen aanpakte was hij al bij verschillende droogmakerijen in het Noorderkwartier betrokken geweest. Daar was hij na een reeks conflicten in 1643 teleurgesteld afgehaakt. Warnard stamt uit een Delfts geslacht. Zijn grootvader had zich van bierbrouwer opgewerkt tot burgemeester en zijn vader was als officier op het oorlogspad gegaan. Warnard volgde in vaders voetsporen, werd ritmeester in het Staatse leger. Het vermogen, door zijn grootvader als brouwer bijeengebracht, stelde hem in staat deel te nemen in verschillende ondernemingen. Hij vestigde zich in Den Haag en investeerde het fortuin van zijn grootvader in droogmakerijen. Na het fiasco in Hollands noorden richtte de Haagse (zelfbenoemde) jonkheer het oog op het Zuiderkwartier. Hij kocht de ambachtsheerlijkheid Moerkapelle en Wilde Veenen voor het bedrag van 15.750 gulden en begon plannen te maken voor het "bedijcken ende droochmaeken" van de "uytgeveende dobbens, plassen ende poelen" ten noorden van het dorpje Moerkapelle. Er moest een ringdijk aangelegd worden en hij moest molens bouwen die de plas zouden droogmalen. Voor het bedijken van de 100 morgen was een bedrag nodig van 14.000 gulden.

 

warrnaart

 

 

 

 

 

Aan de Middelweg in Moerkapelle staat de WARNAART-HOEVE

 

 

 

 

 

 

 

Bier en wijn.

Vol enthousiasme ging Van der Wel aan de slag. Voor de onderneming moest octrooi worden aangevraagd bij de Staten van Holland. Met het octrooi vroegen bedijkers in de 17e eeuw ook altijd vrijstelling voor belastingen en niet te vergeten, vrijstelling van accijns op bier, dat gedronken werd door de arbeiders. Voor de heren bedijkers en toezichthouders werd in 1652 accijnsvrijdom verkregen voor wijn.

 

De ondernemers.

Van Hoogendorp werd gesteund door verschillende kooplieden: Daniel van Hogendorp, Laurens van Swaanswijk, Johan Herrewijn, Balthasar Coymans, jonkheer Job van Brederode en Quirijn van Lobbrecht. Deze kooplieden brachten het benodigde geld bijeen. Naar een antal is in Moerkapelle een straat genoemd, anderen moeten nog even wachten.  Met het geld deelde van Hogendorp links en rechts opdrachten uit. In contracten met participanten verplichtte hij zich een aangegeven aantal morgens droog te maken tegen betaling van 320 gulden de morgen.

 

Uitvindingen.

Bij het droogmaken van de Wilde Veenen wilde van Hogendorp gebruik maken van twee van zijn uitvindingen: de lepelbaggermachine en de pompmolen. Zowel deze uitvindingen als de nieuwe polder zouden hem roem en rijkdom brengen, dacht de fantasierijke edelman.
 

 baggeren

Om de polder droog te maken moesten sloten worden gegraven. Dit graven was vooral baggeren want de sloten moesten onderwater worden gegraven

 

Model van de lepelbaggermachine, die waarschijnlijk is gebruikt door Warnard van der Wel.

 

Op het verhoogde dek staan 6 lieren. Elke lier bediende 2 lepels. Elke lepel werd bediend door 1 arbeider. Werd de ene lepel gevierd, dan werd de andere lepel omhoog getrokken.

 

 

 

 

Faillissement.

Maar dat pakte anders uit. Het duurde drie jaar voor de dijk gereed kwam en met de molenbouw wilde het ook helemaal niet vlotten. Hierdoor kreeg Warnard het aan de stok met zijn geldschieters, die het geld dat ze in de operatie gestoken hadden, rendement wilden zien opbrengen. Ze keken ook met een scheef oog naar die vreemdsoortige molen waar Van der Wel zo enthousiast over was. Dat wordt niets, dachten de heren, en zij dwongen de jonkheer de half voltooide pompmolens om te bouwen tot gewone molens. Met Warnards financiën ging het ondertussen bergafwaarts. Hij kon zijn schulden niet meer betalen en de kooplieden verloren alle vertrouwen in hem. Zij dagvaardden hem voor het Hof van Holland en in 1650 werd de ambachtsheer van Moerkapelle gegijzeld in de Gevangenpoort te Den Haag. Zijn goederen Werden in 1651 geveild. Ook zijn herenhuis in Den Haag, de ambachtsheerlijkheid Moerkapelle en Wilde Veenen, zijn baggermachine (die bekend stond als de moddermolen) en het octrooi voor de droogmaking vielen onder de hamer. Het maakte op rigoureuze wijze een einde aan Warnards hooggespannen verwachtingen. Toen hij zich na zijn vrijlating in Delft vestigde, was hij een gedesillusioneerd man.

 

 

Beter.

In Moerkapelle ging het onder de nieuwe ambachtsheer mr. Daniël van Hogendorp steeds beter. In vlot tempo werd de ringdijk afgewerkt en ook de zeven molens kwamen spoedig gereed. Toen kon men gaan malen en op 1 mei 1655 was het karwei geklaard. De Wilde Veenen bleken een vruchtbare polder te zijn. Driemaal is zij weer onder water gelopen. Driemaal bleek het de moeite waard om haar weer droog te malen. Onlosmakelijk blijft aan de droogmaking de naam van Warnard van der Wel verbonden. In 1959 werd een straat naar de onfortuinlijke jonkheer vernoemd: de Jhr. Van der Weistraat. Het was een postuum eerherstel.