De voorgeschiedenis van de droogmakerij de Wildevenen

De Wildevenen

De Wildevenen of de Honderd Morgen, zoals zij ook worden genoemd, zijn een droogmakerij van 592 hectare oppervlakte, gelegen midden in het Zuid-Hollandse voormalige veengebied tussen andere, later ontstane droogmakerijen aan het noordelijkste deel van de Rotte. Nadat het veen geleidelijk was verwijderd om als turf voor brandstof te worden verkocht, had zich ter plaatse een plas had gevormd en ondergingen de Wildevenen in het midden van de 17e eeuw een algehele gedaanteverandering: de plas werd drooggemaakt en het golvende, schuimende meer veranderde in een vruchtbare polder.

 

In "een zee van golvend graan" en "uit schuim werd goud geboren", volgens de bloemrijke zegswijze van 17e-eeuwse tijdgenoten, die in dichtvorm hun bewondering uitspraken voor het omvangrijke bedijkingswerk, dat in die eeuw in ons land werd verricht.1)

 

De voorgeschiedenis van de Wildevenen vertelt, hoe deze polder door de vervening van land tot water werd gemaakt. De geschiedenis van de droogmaking verhaalt daarna, hoe het water weer in land is omgezet, hoe het water enige malen het verloren terrein heeft hernomen en hoe tenslotte onze voorouders de strijd tegen de natuur voor het behoud van de Wildevenen definitief hebben gewonnen.



Het droogmaken van een meer was een kostbare, riskante onderneming en loonde gewoonlijk alleen wegens de eigenaardige bodemgesteldheid van Holland. Na het weggraven van het veen en het verwijderen van het water kwam namelijk in vele polders de zogenaamde oude blauwe zeeklei aan de oppervlakte, die bij goede bewerking vruchtbaarder is dan het veen. Waar deze onderlaag van klei ontbreekt, bijvoorbeeld in de Friese meren, was droogmaking dan ook gewoonlijk niet aantrekkelijk.

 

 

De bodem in de Wildevenen

Omstreeks 5000 jaar vóór Christus bedekte de Noordzee de westelijke helft van Nederland. Er vormde zich daarna geleidelijk een schoorwal — de basis van de tegenwoordige duinenrij —, die een deel van de zee afsloot en tot een strandmeer maakte. Het water in dit meer was rustig en uit het door de vloedstroom aangevoerde slib bezonk een laag klei, de zo-even genoemde oude blauwe zeeklei, waarin zeeschelpen nu nog de herkomst van deze laag aantonen. Het water in het meer werd geleidelijk ondiep en bovendien zoet door de wateraanvoer van de Rijn, de Maas en de Schelde, die in het meer uitstroomden.

 

In het ondiepe, rustige strandmeer ontstond een rijke plantengroei, waaruit zich laagveen vormde. Toen het meer met veen was dichtgegroeid, m.a.w. was "verland", ontwikkelde zich op het veen een vegetatie van heide en veenmos, waaruit zich hoogveen vormde. Sedert omstreeks de vierde eeuw na Christus daalde ons land echter ten opzichte van de zeespiegel, zodat het hoogveen grotendeels onder water kwam.

 

Waar de Noordzee de duinengordel doorbrak, zoals in Zeeland, Friesland en Groningen, werd het veen bedekt met jonge zeeklei, of het veen werd weggeslagen. Waar de duinen in stand bleven, ontstonden in het daarachter gelegen veengebied in Zuid-Holland tal van stilstaande poelen, bijvoorbeeld het Zoetermeer, en traag stromende waterlopen, bijvoorbeeld de Rotte. De heide- en veenmos begroeiing maakte er plaats voor een typische moerasvegetatie van gras, riet en een struweel van wilgen en elzen, op de hoge plekken afgewisseld met geboomte.2)

 

 

Bevolking

De aangrenzende geestgronden langs de duinen, maar ook de hoger gelegen kleistroken langs de geestgronden boden bestaansmogelijkheden voor de inheemse bevolking. Vestiging in het drassige veengebied was onaantrekkelijk en het werd slechts geëxploiteerd door een klein aantal jagers, vissers en verzamelaars. De turfwinning had nog geen betekenis, omdat het houtgewas voorlopig voldoende brandstof leverde.

 

Door de bevolkingsaanwas in Zuid-Holland ontstond de behoefte om dit gewest beter bewoonbaar te maken. Dit gebeurde door langs de rivieren dijken aan te leggen en het onbewoonde veengebied in cultuur te brengen. De aanleg van dijken begon in de 11e eeuw, misschien zelfs eerder. De ontginning van het veen begon in de 12e of 13e eeuw. De bevolking bracht het veen in exploitatie door het om te zetten in hooiland, weiland of - in beperkte mate - bouwland. Later door het weg te graven om er brandstof van te maken. De ontginning begon altijd met het zogenaamde bloten, dat was het verwijderen van de wilde plantengroei met het kapmes of desnoods met het vuur.

 

 

Polders

Om de bodem echter geschikt te maken voor de landbouw of de vervening moest hij worden ontwaterd. Voor dat doel kwam al vroeg het graven van sloten in zwang, die het overtollige water moesten verzamelen en afvoeren. Sloten die toen al de aandacht van buitenlandse reizigers trokken.3) Bemaling ontbrak in die tijd nog. Pas later, in de 14e eeuw, is men overgegaan tot verbetering van de afwatering door het land in polders te leggen. Door het toenemen van de bevolking, vooral in de steden, ontstond de noodzaak om de bodemopbrengst te verbeteren.

 

Een polder is, zoals bekend, een stuk land omringd door een kade of dijk, met een kunstmatige afwatering, waardoor men de waterstand van dat land kan beheersen. Het verwijderen van het overtollige water gebeurde eerst door bij lage waterstand buiten de polder een kleine sluis of duiker in de polderkade te openen. In later eeuwen door het water met hand- of paardenmolentjes over de kade te werpen en sinds het begin van de 15e eeuw in toenemende mate door windmolens. Door die betere bemaling werd de productiviteit van het waterrijke land en de bestaansmogelijkheid voor de bevolking aanzienlijk vergroot.4)

 

 

Hoogheemraadschappen

De aanleg en het onderhoud van een toenemend aantal waterkeringen en waterlopen voor lozing werden van levensbelang voor de bevolking. Daarom werden er waterschapscolleges opgericht, die de waterstaat organiseerden, regels stelden en de bevoegdheid kregen straffen op te leggen. In de 13e eeuw ontstonden in midden Zuid-Holland drie van deze colleges: de Hoogheemraadschappen Rijnland, Delfland en Schieland.

 

Om de plaatselijke afwatering te verbeteren en vermoedelijk ook om het gezag van deze waterschapsorganen onderling duidelijk af te bakenen, werden in dezelfde eeuw de zogenaamde landscheidingen tussen de gebieden der hoogheemraadschappen getrokken. Dat waren kaden of dijken, opgeworpen op plaatsen, waar reeds cultuurland aanwezig was, en stroken onafgegraven veen in streken, waar de ontginning door turfsteken in gang was. De langste van deze landscheidingen is die tussen Rijnland enerzijds, Delfland en Schieland anderzijds.

 

In deze tijd verbond een vermoedelijk gegraven waterloop de Rotte met de Oude Rijn. Waar een landscheiding een waterloop doorsneed, moest hij worden afgedamd.  Ook het kanaal naar de Oude Rijn werd afgedamd door het opwerpen van de later welbekende Hildam.

 

 

Landscheidingen

In een ongeveer haakse hoek van de landscheiding, waarvan grote stukken recht als een liniaal zijn, alsof een landmeter ze heeft afgepaald, liggen de Wildevenen. Het is zeer wel mogelijk, dat de landscheiding, die Wildevenen begrenst, oorspronkelijk een strook onvergraven veen is geweest, omdat de ontginning in die omgeving zo laat heeft plaatsgevonden. Vermoedelijk is de landscheiding aangelegd door het Hoogheemraadschap Schieland. De landscheiding van het Hoogheemraadschap Rijnland, het eerste hoogheemraadschap (1255) heeft noordelijker, ter hoogte van de Hoogeveenseweg gelegen. Het bestaan van de Wildevenen was in de 14e eeuw sterk verbonden met het standhouden van deze landscheiding. De dijk hield het water tegen dat afvloeide uit het naburige deel van Rijnland, uit de zogenaamde Hoogevenen.

 

 

Turfwinning

Naast de veeteelt en de akkerbouw werd de turfwinning een steeds grotere vorm van grondexploitatie. Toen het houtgewas door de groeiende bevolking was gedund, ontstond er een toenemende vraag naar brandstof in de vorm van turf. Deze vraag werd bovendien gestimuleerd door de opkomst van een relatief groot aantal steden in het gewest Holland. Turf was nodig om de stedelingen te verwarmen en ook om de ontluikende stedelijke nijverheid van brandstof te voorzien.

 

Reeds de Romeinse geleerde Plinius in de eerste eeuw na Christus en een Moors Spaanse gezant in de 10e eeuw vermeldden, dat in ons land veen werd gestoken en gedroogd, maar uit hun beknopte beschrijvingen blijkt, dat onze voorouders dat destijds nog overwegend voor eigen behoefte en niet voor de verkoop deden. Turfwinning als broodwinning werd in Holland eerst algemeen, toen de steden een afzetmarkt voor turf gingen vormen.5)

 

De turfwinning vond in het kort geschetst plaats op de volgende wijze. Het maagdelijke, „ruwe" of „wilde" veen werd ontdaan van plantengroei en zo nodig door het graven van sloten ontwaterd. Met een bijzonder gevormde spade werd de veenaarde uitgestoken. De aldus gestoken vochtige blokken veen, turven geheten, werden om te drogen los op elkaar gestapeld en na enige weken per schuit of wagen naar de stedelijke turfmarkt vervoerd.

 

Het werk was eenvoudig, maar zwaar en bovendien seizoenarbeid, omdat het alleen in het zomerhalfjaar verricht kon worden. Vele veenarbeiders stonden in loondienst van min of meer kapitaalkrachtige stedelingen, maar sommigen van hen veenden ook wel voor eigen rekening. Het loon werd vaak in natura voldaan, bijv. met een derde deel van de gewonnen turf. Nadat het veenseizoen tegen het einde van augustus was afgelopen, vonden de veenarbeiders bescheiden verdiensten in het vervoer van turf of van andere goederen, in het verrichten van landarbeid, het vlechten van manden, het snijden van riet en dergelijke.

 

Zij leefden tijdens het veenseizoen maandenlang in primitieve verblijven in afgelegen streken en waren ruw en onontwikkeld. Vrouwen- en kinderarbeid was onder hen regel. De hygiënische en zedelijke toestanden onder hen schijnen veel te wensen te hebben overgelaten.6)

 

 

's Graven wildernis

De bewoners van de echte veenarbeidersdorpen waren over het algemeen arm en vormden een landelijk proletariaat. Het ongerepte veengebied in Zuid-Holland was het eigendom van de landsheer en heette daarom "'s Graven wildernis". Door de ontginning te bevorderen vergrootte de graaf zijn inkomsten en gaf daarom stukken veen of "moer" in leen aan zijn edelen. Meestal in combinatie met het "gerecht" of ambacht". Dit waren de inkomsten uit boetes wegens wetsovertredingen van de later gevestigde bevolking en met het recht woeste grond aan kolonisten te verkopen en tienden van hun grondopbrengst te eisen. Deze overdracht door de graaf van woeste grond voor ontginning, "cope" genaamd, was in de regel een beloning voor bewezen militaire en politieke diensten, doch werd soms door de leenman betaald.7) De edelen verkochten het wilde veen aan kolonisten of vaak aan consortia van ontginners, doch behielden het gerecht en de tienden. Aan de term cope danken veel plaatsen, zoals Boskoop en Nieuwkoop, hun naam.

 

De kolonisten werden tot vestiging aangelokt doordat zij vrijdom van horige lasten op hun personen en eigendommen verkregen. De horigheid, d.i. de erfelijke gebondenheid aan de grond, waaraan zij in de regel op „het oude land" (de geest- en kleigronden van Holland) onderworpen waren, ontbrak dan ook in het kolonisatiegebied. De eerste berichten, die dateren uit de 13e eeuw, tonen aan, dat het ontginningsproces in midden Zuid-Holland reeds in volle gang was.

 

Men kan het voortschrijden van de kolonisatie van het wilde veen afleiden uit de stichtingsjaren van de dorpskerken. In de 13e eeuw kregen dorpen, die midden in het veen lagen, zoals Bleiswijk, Zevenhuizen en Moordrecht, een kerk. Vanuit het sinds lang bewoonde kleigebied langs de Merwede (nu de Nieuwe Maas), de IJsel en de Oude Rijn en vanuit de in het veen uitspringende kleistreek rondom Delft drong blijkbaar de ontginning in het veengebied concentrisch voorwaarts.8)

 

De ongerepte veengronden waren als een witte vlek op de landkaart, die aan alle kanten inkromp. De kolonisatie, door historici van onze tijd „de Grote Ontginning" genoemd, vertoonde dan ook gelijkenis met die in Noord-Amerika en Australië in de 19e eeuw. Vanaf een kade of waterloop trok de landmeter rechte lijnen de wildernis in en stelde hij de afmeting der met palen afgebakende claims of concessies vast: zoveel voorlingen9) breed, zoveel voorlingen diep.

 

Op oude kaarten ziet men duidelijk het geometrisch patroon, dat het ontgonnen landschap op deze wijze kreeg. Zelfs de wild west taferelen ontbraken niet in dat maagdelijke gebied, waar licht kwestie kon ontstaan over de ligging van de afscheidingen der claims. In 1390 deden graaf Albrecht en heer Jan van Bloys uitspraak van vonnis inzake door burgers van Gouda in het ambacht van Waddinxveen gepleegde gewelddadigheden, die verband hielden met het delven van turf aldaar.10)

 

Het middelste deel van het Zuid-Hollandse veengebied, dat het laatste werd ontgonnen, werd ingenomen door de Hoogevenen en de Wildevenen. Oorspronkelijk een geheel, doch later van elkaar zijn gescheiden door de aanleg van de eerder genoemde landscheiding. Het reeds genoemde eigenaardige beloop van de landscheiding, die ter hoogte van de Wildevenen een scherpe hoek vertoont, heeft vermoedelijk ook te maken met dit kolonisatieproces. Om de ontginningen in het Noordeinde van Waddinxveen te beschermen tegen overlast van water uit het westen is een kade is aangelegd. Die bestond uit de Dorrekenskade, de latere oostlandscheiding der Wildevenen en de Waddinxveense kade. De laatste twee vormden oorspronkelijk één kade. Pas later is de noord-landscheiding, die de Wildevenen aan de noordzijde begrenst, aangelegd of uitgespaard in het afgegraven veen. De bouwers van deze dijk hebben hem onder een bijna rechte hoek laten aansluiten op de reeds bestaande Waddinxveense kade, waarvan het zuidelijk deel de functie van voortgezette landscheiding kreeg.

 

Graven van Holland

De graaf van Holland had groot belang bij de kolonisatie van zijn woeste domeinen, die zijn inkomsten moesten verruimen.  Hij deed pogingen om dat overblijvende ruwe veen in midden Zuid-Hollandse in snel tempo te laten ontginnen, maar stuitte daarbij soms op strubbelingen. Op 27 maart 1276 gaf graaf Floris V aan Nyclaes van Subburch (Souburg) grond in leen, die lag tussen de Pikelede ( een waterloop in zuid Waddinxveen) en Hazerswoude en tussen de Gouwe en Zevenhuizen, in ruil voor land in Zuid-Beveland.11) Wij vernemen echter niets meer van deze Nyclaes. Waarschijnlijk is de transactie niet doorgegaan, want enige jaren later, in 1281, gaf Floris V ongeveer hetzelfde gebied in leen aan heer Diederik van Teylingen. Deze zette een grote landonderneming op touw door behalve de nieuwe ambachten Waddinxveen en Poliën vrijwel al het woeste veen, dat ten westen van de Gouwe over was, aan te kopen.12)

 

Reeds in 1282 stierven echter zowel heer Diederik als zijn zoon Willem, zodat de genoemde lenen terugvielen aan de graaf en de ontginning andermaal stagneerde. In het midden van de 14e eeuw blijkt het bekende adellijke geslacht der Egmonds bezitter van verschillende ambachten (gemeenten) in midden Zuid-Holland te zijn geworden.

 

In 1365 verkocht graaf Albrecht het laatste deel van de hem daar toebehorende woeste grond, de Wildevenen geheten, aan heer Jan van Egmond. Met toestemming dat van Egmond met dit land zijn: „vrijen wille zoude moghen doen van delven ende van uytgeven". Jan van Egmond overleed in 1369. Zijn oudste zoon heer Arend of Aernout, het nieuwe hoofd van het geslacht, verleende in 1370 op aandringen van zijn moeder en andere nauwe bloedverwanten uit piëteit jegens zijn vader aan zijn halfbroer Willem, een buitenechtelijke zoon van Jan van Egmond, de ambachten Zevenhuizen en Zegwaard met alle moeren en venen daartoe behorende (waar onder de Wildevenen), alsmede de tienden van Zegwaard. In ruil voor dit deel van Jan van Egmonds nalatenschap moest Willem afstand doen van verdere aanspraken op zijn vaders erfenis. Arend werd de stamvader van een aanzienlijke tak der Egmonds.13)

 

In 1396 verkocht Willem ,"de Bastaard van Egmond" als ambachtsheer van Zevenhuizen aan enige poorters van Gouda morgentalen veen onder Zevenhuizen.14) Deze transactie is een van vele soortgelijke in die tijd afgesloten en is typerend voor een belangrijke economisch sociale verschuiving, die zich destijds voltrok. Stonden vóór 1300 landbouwers als pioniers aan de spits der ontginningen, na 1300 kwamen meer en meer de kapitaalkrachtige bewoners van de opbloeiende steden naar voren als kopers van ruw veen uit de hand van de graaf en van de adellijke ambachtsheren.

 

In deze verschuiving weerspiegelen zich de toenemende betekenis van de burgerij en de groeiende behoefte aan brandstof voor de steden. De Hollandse stad, die het dichtste bij de Wildevenen ligt, is Gouda. Zij bezat een belangrijke brouwnijverheid, die bij voorkeur turf betrok uit de naaste omgeving. Tal van vermogende bierbrouwers kochten land in de nabijheid van Gouda om daar turf voor hun bedrijf te winnen en ook om kapitaal te beleggen, daar turf een gangbaar marktproduct was. Zij vormden meermalen consortia voor het verwerven van claims op stukken onontgonnen veen.15)

 

Uit acten daterende uit de 14e eeuw kan men afleiden, hoe in het ambacht Waddinxveen en de kleine aangrenzende ambachten Poliën en Snidelwyc de ontginning van het oosten naar het westen vorderde. Wij mogen aannemen, dat omstreeks 1400 de ontginners vanuit Waddinxveen de landscheiding hebben overschreden en grond hebben verworven in de Wildevenen, die nog steeds woest lagen.

 

De opeenvolgende ambachtsheren van Zevenhuizen, waartoe de Wildevenen behoorden, maakten dit landbezit winstgevend door het in stukken te verkopen of in erfpacht uit te geven aan gegadigden, waaronder vooral vermogende burgers van Gouda voorkwamen. De Wildevenen zijn blijkbaar wegens hun centrale ligging in het veengebied het laatst ontgonnen, dat wil hier zeggen: onder de turfspade gekomen.

 

 

De kerken

Vanaf de dorpstoren van Moerkapelle ziet men tegenwoordig in een wijde kring om zich heen de kerktorens van Zevenhuizen, Bleiswijk, Benthuizen, Hazerswoude, Waddinxveen en Moordrecht. Dorpen van veel oudere datum, merendeels ontstaan als veenkolonie. De naam de Wildevenen is niet toevallig, de wildernis was hier nog aanwezig, toen het omringende land overal reeds in cultuur was genomen. De polder behield de naam van Wildevenen, ook nadat hij in ontginning was gebracht.

 

afbeelding2

 Afb. 2. MOERKAPELLE
Uit Van Ollefen en Bakker, De Nederlandsche Stad- en Dorpbeschrijver. deel V, 1797

 

 

De stichting van een kerk, het duidelijkste bewijs van het ontstaan van een nieuwe nederzetting, kwam hier laat, en het was slechts een bescheiden kapelletje, dat in een onbekend jaar aan de rand van dit drassige veen of „moer" werd gebouwd, te midden van de kleine schamele woningen van een gering aantal veenarbeiders en turfschippers.

 

Als wij de provinciekaart van Jacob van Deventer van omstreeks 1540 16) beschouwen, dan zien we de omringende dorpen aangeduid met een flinke kerktoren, maar in de Wildevenen ontwaren wij slechts een klein torentje met de vage aanduiding „Op Moer". Dat was het bescheiden bijna naamloze begin van het dorp, dat naar die kapel aan het moer nog lange tijd „de" Moercapelle genoemd zou worden.

 

 

Inklinken

De ligging van de Wildevenen ten opzichte van de zeespiegel schijnt aan het einde der middeleeuwen belangrijk te zijn gewijzigd. De polder behoorde tot het middelste deel van het Zuid-Hollandse veengebied, dat oorspronkelijk het hoogste was gelegen, zodat het water hiervandaan naar de rivieren afliep. Dit gedeelte was dus "hoog veen" en heeft ten dele nog de naam "Hogevenen" als streekaanduiding behouden.

 

De in de 16e eeuw geconstateerde lage ligging van dit centrale gebied ten opzichte van de streken langs de rivieren moet worden verklaard uit het "inklinken" of zakken en inkrimpen van het veen door de kunstmatige afwatering van de in de 14e en 15e eeuw hier gevormde polders. Er vond a.h.w. een inversie van het landschap in midden Zuid-Holland plaats.17)

 

De Wildevenen worden in de 16e-eeuwse documenten beschreven als een afgelegen, laag, moerassig gebied, het middelste en laagste deel van Zuid-Holland. Zij leverden destijds geen behoorlijk gras en waren voor het grootste deel niet geschikt voor weide of hooiland, doch alleen voor het graven van turf.18)

 

 

Transport

Om de turf te vervoeren naar de stedelijke turfmarkten gebruikte men wagens en - waar mogelijk - schuiten. Daarom ging het in exploitatie nemen van een stuk veenland vaak gepaard met het graven van een vaart voor het vervoer van het product. De vaart, die in west oostelijke richting van de Rotte naar de oostlandscheiding liep en de Wildevenen aan de zuidzijde begrensde, heeft kennelijk gediend voor hef transport van turf uit deze polder naar Gouda en in tegenovergestelde richting over de Rotte naar Rotterdam.

 

In 1423 vergunden de hoogheemraden van Schieland tot wederopzeggens, aan de inwoners van Bleiswijk en Zevenhuizen, die eveneens belang hadden bij een goede waterweg in de richting west oost, een zijl of sluis te maken bij de Holvoeterbrug over de Rotte.19) Men mag daaruit concluderen, dat ongeveer gelijktijdig of kort daarvoor de bedoelde waterweg, de Moerse vaart geheten, is aangelegd.

 

 

afbeelding5


Afb. 5. HET SLAGTURVEN EN HET LADEN VAN EEN TURFSCHIP

Naar een vroeg-17e-eeuwse gravure, uit Deliciae Batavicae. omstreeks 1616

 

Illustratie ontleend aan W. J. Diepeveen, De vervening in Delfland en Schieland tot het einde der 16de eeuw. De man op de voorgrond baggert met de baggerbeugel. Rechts achter hem stampen een man en vrouw met plankjes onder de voeten de veenbagger vast. De man links, de turfstikker of riemer geheten, steekt met een scherpe schop de bagger overlangs en overdwars in riemen en vormt aldus de turven. Deze worden op de achtergrond op stapels gezet om te drogen. Geheel links worden de gedroogde turven per mand in het schip geladen.

 

 

Ecologische ramp

„Gelukkig is het land, / Daar 't kind zijn moer turf!) verbrandt"; rijmde Vondel. Inderdaad verschafte de turf aan onze voorouders een goedkope brandstof in de tijd, waarin het vervoer van steenkool naar ons land nog relatief duur was. Maar de turfwinning bracht in het westen van ons land op grote schaal landbederf teweeg en had op de duur schadelijke gevolgen. De nadelen van de turfwinning waren de volgende:

 

  1. Waar de veenlaag was weggegraven of weg gebaggerd bleef een plas achter en was alleen nog een schamel bestaan voor de visser en rietsnijder mogelijk, niet meer voor de boer en de verveender.

  2. Er ontstond gegronde vrees, dat door afslag van de oevers de door vervening ontstane plassen zich in het losse veen zouden uitbreiden, aldus gevaar zouden opleveren voor aangrenzende waterkeringen en het landverlies zouden vergroten.

  3. De gewestelijke overheid ontving minder inkomsten, omdat de bijna waardeloze plassen weinig of geen grondbelasting meer opbrachten en de eigenaren der in water veranderde venen dikwijls hun bezit abandonneerden om de lasten van dit bezit van zich af te schuiven.20)


Reeds in de middeleeuwen wekte het landbederf, veroorzaakt door de turfgraverij, die zelfs vruchtbare grond niet spaarde, de bezorgdheid van de overheid. Het eerst bemoeiden de hoogheemraadschappen zich met dit vraagstuk door het uitvaardigen van tal van verordeningen voor de wijze van turfwinnen. Later liet ook de landsheer zich gelden, toen diens gezag sterker werd en het landbederf voortschreed. Uit de eerste helft van de 15e eeuw zijn keuren van Rijnland bekend, die voorschriften voor de vervening gaven 21), enige jaren later ook keuren van Schieland.

 

De steeds uitvoerigere voorschriften betroffen o.a. de maximaal toegestane breedte van de trekgaten en de minimale breedte van de legakkers of ribben tussen deze gaten. Tussen de gaten of geulen, die in het veen werden gestoken en later gebaggerd, liet men vanouds stroken veen, de zogenaamde legakkers, in stand om daarop de turven te vormen en op te stapelen voor het drogen.

 

De voorschriften beoogden het onsystematisch en onoordeelkundig venen tegen te gaan. Werden namelijk de trekgaten of „veendobbens" te breed gemaakt of de legakkers te smal, dan stegen de kansen op afslag van de legakkers door het water in de gaten en het gevaar van het ontstaan van uitgestrekte plassen, die zoals gezegd een bedreiging vormden voor het omringende land.

 

 

Vandaar ook de bepalingen tegen het venen binnen een bepaalde afstand van kaden en dijken, waarop strenge straffen werden gesteld, en de voorschriften de ribben te beplanten met wilgen en elzen (die vermoedelijk brand-stof of materiaal voor vlechtwerk moesten leveren) en de legakkers „toe te maken". Het toemaken was het ophogen en aanaarden van stroken veen om deze geschikt te maken voor wei- of bouwland. Het toemaken bracht gewoonlijk echter zulke hoge kosten met zich, dat het zelden loonde, en het werd dan ook in vele gevallen nagelaten.22)

 

 

Verscherping van het toezicht

De keuren der Hoogheemraadschappen werden uitvoeriger uitgewerkt in de plakkaten op het „slachturven", in 1530 en 1550 door keizer Karel V, in 1561 en 1563 door Filips II en in 1593 door de Staten van Holland uitgevaardigd.23 Er was alle aanleiding tot verscherping van het toezicht op de turfwinning sinds deze, blijkbaar wegens de stijgende vraag naar turf, was geïntensiveerd en van turfsteken tot veenbaggeren was geworden.

 

Men bepaalde zich namelijk niet meer tot het afsteken van het veen tot op de grondwaterspiegel, maar men ging voortaan, naar het schijnt sinds 1530, ook het veen onder water verwijderen met behulp van de baggerbeugel. Dit was een schepnet van gevlochten lederen banden, voorzien van een lange steel. Het baggeren met de beugel werd „flodderen" genoemd.24)

 

Juist uit de veelvuldige herhaling van al deze beperkende keuren en plakkaten blijkt, dat de uitvoering ervan te wensen over liet. Het landsbestuur, dat rekening pleegt te houden met de verwijderde toekomst, trachtte de vervening paal en perk te stellen, maar het particuliere winststreven en ook de economische noodzaak van de steeds toenemende behoefte aan goedkope brandstof drongen het veenbedrijf telkens weer tot overschrijding van de door de overheid gestelde grenzen en veranderden steeds grotere opper-vlakten land in water. Turf levert immers in verhouding tot zijn volume veel minder warmte dan bijvoorbeeld steenkool, zodat het turfverbruik wat het volume betreft hoog was.

 

De autoriteiten schijnen dan ook herhaaldelijk voor de noodzaak van een grote turfproductie te zijn gezwicht. Daar kwam bij, dat strenge handhaving der plakkaten aan vele arme veenders hun bestaan zou ontnemen. Zij moesten uit armoede van hun stukje land het maximum aan turf trachten te halen. Het kwam zelfs veel voor, dat de goed gesitueerde eigenaren of erfpachters van veenland verdolven land verkochten aan schamele veenders, die er de laatste turf uithaalden. Deze arme lieden werden namelijk, als zij de plakkaten overtraden, veel meer ontzien dan de vermogende.25)

 

De arme klasse richtte dus bij het vervenen de grootste schade aan. Van de verveenders in de Wildevenen behoorden velen tot deze povere luiden. De bewoners van de ambachten, waar de turfwinning belangrijk was, hingen tegenover de autoriteiten, die informeerden naar hun bestaan en welstand, gewoonlijk een somber, maar vermoedelijk toch wat overdreven ongunstig beeld op van het landverlies door het vervenen.

 

 

Enquêtes

Tegen het einde van de 15e eeuw en in de 16e eeuw heeft de overheid van het gewest Holland enige enquêtes naar de economische toestand in dat gewest ondernomen. De eerste van deze enquêtes was de „Enqueste" van 1494. Namens de ingezetenen van het ambacht Zevenhuizen (waartoe de Wildevenen behoorden) werd aan de ambtelijke enquêteurs medegedeeld, dat zij na de regering van Karel de Stoute (1467-1477) zeer verarmd waren, niet alleen door de Hoekse en Kabeljauwse twisten, maar ook door het verdelven van hun venen. Van de 3060 morgen land in het ambacht zouden wel 2000 morgen verdolven zijn en geen baten meer opleveren, terwijl toch de zware onderhoudslast van "de dijck van Cralyngen" (de Schielandse zeedijk) op deze waardeloze gronden bleef drukken.26)

 

Het getal van 2000 lijkt de historici van onze tijd echter aan de hoge kant. De tweede, uitvoeriger enquête was de „Informacie" van 1514. Daarin delen enige ingezetenen van het ambacht Bleiswijk, waar 2100 morgen belastingplichtig waren, mede, dat op dat tijdstip 600 morgen niet meer deugden, „die men niet hooyt of weydt, ende is verloren land. 't Lant dat zij verkopen, verkopen zij bij de hoop ende niet bij de mate, want het is al arm veenland ende geen kleiland".27) Nog erger wordt de toestand in het ambacht Zevenhuizen afgeschilderd. Daar deelden ingezetenen mede, dat van de 3100 belastingplichtige morgens er 3000 verdolven waren „ende alsoe snoode (waren) dattet niet en dooch (= deugde").28)

 

In 1494 waren, zoals wij vermeldden, 2000 morgen verdolven. Hieruit blijkt wel, dat de opgave van 3000 te hoog moet zijn. Trouwens, hoe zouden de inwoners van dit ambacht nog tientallen jaren een bestaan hebben kunnen vinden, als bijna alle land in ver gevorderde staat van vervening had verkeerd? Pas in de 18e eeuw is dit ambacht geleidelijk en nagenoeg volledig verworden tot een complex van uitgeveende plassen.29)

 

 

De landscheiding vernield

Zoals eerder vermeld, deugden de Wildevenen alleen voor turfwinning  en daarom werd de vervening er intensiever dan elders uitgeoefend. De noord- en oostgrens van deze polder werd gevormd door de landscheiding, die Schieland moest beschermen tegen het vele water van het uitgestrekte Rijnland. Die landscheiding rondom de Wildevenen was dan ook het voorwerp van voortdurende bezorgdheid voor de hoogheemraden van Schieland. Die moesten er doorlopend voor waken, dat de activiteit van de verveners deze dijk geen schade toebracht. Er werden naar willekeur turfschuren op gebouwd om de turf te drogen. Er werd met wagens over gereden en erger nog: er werd ook aan de voet van de dijk turf gestoken. Reeds in 1414 constateerden de hoogheemraden, dat de landscheiding in de Wildevenen "groffelic vernielt ende verdorven" was. Dit was de eerste van een lange reeks klachten, die te vinden zijn tot aan de droogmaking van de Wildevenen.

 

De ingezetenen gaven natuurlijk de elders wonende lieden de schuld van deze misstand. Lieden die "met Schieland niet golden", d.w.z. geen belasting aan Schieland betaalden, maar toch op Schieland uitwaterden. Het gevaar zou dus dreigen van de inwoners van Rijnland, vermoedelijk uit het Noordeinde van Waddinxveen, waar de vervening ouder was. Voor de hoogheemraden was dit des te ergerlijker, omdat Schieland van oudsher alle onderhoudskosten van de landscheiding moest betalen en Rijnland hieraan niet bijdroeg. Daarom schreven zij voor, dat alleen turf, die in Schieland was gewonnen, met wagens over de landscheiding vervoerd mocht worden en dat niemand binnen een afstand van zes roeden van deze dijk turf mocht steken.30)

 

Maar in 1422 zagen zij tot hun wrevel, dat de landscheiding tussen Schieland en Rijnland door het vreemde water (van de uitgeveende dobben in Rijnland) nog steeds werd beschadigd. Zij droegen toen de schout van Zevenhuizen op, zorg te dragen voor het vullen van de gaten in de dijk.31) Uit latere berichten blijkt echter, dat het verwijderen van het veen zowel in de Wildevenen als in de aangrenzende Rijnlandse ambachten is voortgezet zonder dat de veiligheid van de landscheiding voldoende in acht werd genomen.

 

In 1530 bepaalde een plakkaat van Karel V zelfs, dat nabij de landscheiding in het geheel geen turf mocht worden gestoken, omdat de dijk „van de Hille (= Hildam) af zuytwaerts op ... tot omtrent een uyre gaens seer smal . (was) uytgedolven aen beyde sijden .., hebbende groote plassen of meerkens water tot veel plaetsen".32) Deze beschrijving ging ongetwijfeld ook over op de toestand in de Wildevenen.

 

 

Uit 1561 hebben wij een wat uitvoeriger bericht over deze toestand. De Wildevenen omvatten volgens de opgave van dat jaar 688 morgen, waarvan een gebied van 118 morgen bestond uit „plassen, verdolven sassen (= kolken), gagellant (= land begroeid met een soort houtgewas), morlant (= moerland) ende meer verdolven lant, daer geringe vruchten noch proffyten of (= af) en comen".33)

 

 

Straffen

Omdat de Wildevenen van de Schielandse polders het eerst van veenland tot een plas zijn gemaakt, is de verhouding tussen water en land in de aangrenzende ambachten waarschijnlijk gunstiger geweest. De straffere houding van de landsregering onder Filips II, blijkt uit het nieuwe plakkaat op het „slagturven" in 1563, dat kort na dat van 1561 werd uitgevaardigd. Dit plakaat vond aanhang bij de dijkgraaf en de hoogheemraden van Schieland. In de jaren 1566 en '67 klaagde de dijkgraaf een aantal verveenders in de ambachten Zevenhuizen en Moordrecht en vooral in de Wildevenen aan, omdat zij in strijd met het plakkaat van 1563 hadden gehandeld. Zij werden beschuldigd van het afsteken van bonken veen, die zij in de trekgaten hadden laten drijven. Een soort roofbouw dus, van het stapelen van turf en het oprichten van turfschuren op de landscheiding zonder toestemming van de heren van Schieland. Ook werden zij beshuldigd van het overmatig verwijden van de trekgaten en nog andere overtredingen.

 

De hoogheemraden veroordeelden een groot aantal onder hen tot geldboeten. De meesten van hen waren burgers van Gouda, waaronder verscheidene vermogende lieden niet alleen in de Wildevenen, maar ook onder Zevenhuizen en Moordrecht veen lieten steken of baggeren.34) Deze straffen brachten de veenexploitanten, die veenland van de ambachtsheer in erfpacht of achterleen hadden ontvangen of gekocht, in beroering. De verveenders in de Wildevenen wendden zich tot hun ambachtsheer Charles van Bourgogne, heer van Promont, Sommelsdijk enz., die het ambacht Zevenhuizen had verworven door zijn huwelijk met Jenne van Cuylenburch, een verre afstammelinge van de Egmonds, van wie zij deze ambachtsheerlijkheid had geërfd.35)

 

 

Verzoekschrift

Voor deze verveenders richtte Charles van Bourgogne in 1566 een uitvoerig verzoekschrift aan koning Filips II, waarin hij zich beriep op de ruime faciliteiten, die eertijds graaf Albrecht bij de verkoop van de Wildevenen aan Jan van Egmond had toegestaan. Hij voerde aan, dat de Wildevenen zeer laag, drassig en afgelegen waren en alleen deugden voor de turfwinning, daar de kosten van verlaging van de waterstand zo hoog zouden zijn, dat zij geen baten zouden opleveren. Hij betoogde verder dat uit dien hoofde het plakkaat van 1563, dat trouwens uitzonderingen toeliet ter beoordeling van de hoogheemraadschappen, niet van toepassing was op de Wildevenen en dat de verveenders in deze polder zich daarom niet schuldig hadden gemaakt aan de overtredingen, waarvoor zij door de dijkgraaf van Schieland waren aangeklaagd. Hij vroeg de koning deze lieden te ontslaan van de opgelegde boeten en hem in zijn recht te bevestigen.

 

Het verweerschrift kwam in handen van de president van 's Konings Raad, van Willem van Oranje, de stadhouder van Holland. Deze zond het aan de hoogheemraden van Schieland om advies. Om begrijpelijke reden schoven dezen de zaak op de lange baan. In 1569 zond daarom Charles van Bourgogne aan 's Konings Raad, nu gepresideerd door de graaf van Bossu, een rappel, dat eveneens werd doorgezonden aan het hoogheemraadschap Schieland met de opdracht op zeer korte termijn hierop van advies te dienen.

 

De hoogheemraden adviseerden toen beslist afwijzend en daarmede is blijkbaar de zaak in het nadeel van Charles van Bourgogne afgedaan. In hun advies merkten de hoogheemraden op, dat weliswaar hun voorgangers in 1450 aan Willem van Egmond — destijds (let wel) dijkgraaf van Schieland — hadden toegestaan de Wildevenen te verdelven tot op twee roeden van de landscheiding, maar dat intussen de toestand daar sterk veranderd was. Omstreeks 1450 grensde er namelijk nog land aan de landscheiding, maar in 1566 was dat grotendeels omgezet in "laagten" en grote plassen. Ook wezen de hoogheemraden er met recht op, dat graaf Albrecht eertijds Willem van Egmond de Bastaard had toegestaan in de Wildevenen turf te delven, terwijl thans de methode van het turf baggeren of slagturven in zwang was. Dit slagturven was een geheel andere wijze van turfwinning en leverde veel grotere gevaren op, zodat heer Charles van Bourgogne zich niet op de toezegging van graaf Albrecht kon beroepen.

 

In zijn eerder aangehaald verweerschrift aan de koning deed Charles van Bourgogne ook met vrijmoedigheid een verzoek betreffende een zaak, die vermoedelijk de verveenders in de Wildevenen na aan het hart heeft gelegen. Hij verzocht een verlaat - dit is een kleine schutsluis - te mogen leggen in de landscheiding ter hoogte van de Dorrekenskade, opdat de beladen turf-schuiten uit de Wildevenen door de Moerse vaart rechtstreeks naar de Gouwe en vandaar naar Gouda zouden kunnen varen. Dank zij het verlaat zou men de turf niet meer aan de landscheiding behoeven over te laden of zou men de turfschuiten niet meer met moeite en tijdverlies over de landscheiding behoeven te trekken. De hoogheemraden van Schieland voelden uiteraard weinig voor een verlaat, omdat dit de landscheiding ter plaatse zou verzwakken, maar toch namen zij  beslist geen afwijzende houding aan. Zij stelden namelijk de gebruikelijke voorwaarde, dat de aanleg van het verlaat des zondags in de kerken der omliggende dorpen aangekondigd zou worden, opdat een ieder zijn bezwaren bij hen kenbaar kon maken.

 

Van de zijde van de ambachtsbesturen van Moordrecht en Waddinxveen kwam er inderdaad heftig verzet tegen de aanleg van het verlaat. Door het aanleggen van de sluis zou een mogelijkheid ontstaan water uit de Wildevenen te spuien op hun ambachten. De vaart, die liep van de landscheiding naar de Gouwe moest immers altijd voldoende water bevatten om de (naar wij veronderstellen zwaarder dan voorheen beladen) turfschepen uit de Wildevenen te laten passeren. De besturen van Moordrecht en Waddinxveen vreesden daarvan groot waterbezwaar voor hun landerijen te zullen ondervinden. Het bekende conflict tussen de belangen van de landbouw en de scheepvaart deed zich dus ook hier weer voor. De hoogheemraden van Schieland gaven de bezwaren van de beide ambachtsbesturen vergezeld van hun afwijzend advies door naar Den Haag en van de aanleg van een verlaat in de landscheiding is nooit iets gekomen.36)

 


Het zou interessant zijn aan de hand van oude kaarten te kunnen aantonen, hoe het landverlies door vervening in Holland geleidelijk is voortgeschreden, hoe de trekgaten steeds verder in het veen werden doorgetrokken, hoe zij steeds breder werden en de ribben steeds smaller, en hoe de laatste tenslotte langzamerhand afbrokkelden en door de heftige golfslag der ondiepe plassen werden weggespoeld. Er zijn echter zeer weinig 16e en 17e eeuwse kaarten, die deze ontwikkeling in beeld brengen.

 

De kaartentekenaars en hun opdrachtgevers hadden er geen belang bij de talrijke sloten en ribben weer te geven, als het niet de overdracht van een bepaald stuk grond betrof, temeer daar het in kaart brengen van die sloten en ribben een tijdrovend en dus kostbaar werk was en de toestand zich doorlopend wijzigde. Voor belanghebbenden bij de turfwinning kon het zelfs ongewenst zijn de aandacht te vestigen op het landbederf door dit in kaart te brengen. Uit het begin van de 17e eeuw hebben wij echter een kaart, die althans enig inzicht verschaft in de toestand in de Wildevenen.

 

 

balthasars

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is de kaart van Schieland uit 1611, getekend door Floris Balthasars 37), waarop de „Sevenhuise Honderd Morgen of de Wildeveen" zijn weergegeven. Van de trekgaten en veenribben is weliswaar niets getekend, maar langs de oostlandscheiding is aangegeven „de plas van de Wildeveen". Verder ziet men op de kaart in de Hogevenen „de groote plas van Mr Symon van Veen" 38) en in het Noordeinde van Waddinxveen een omvangrijke plas, die beide de andere zijde van de landscheiding bespoelden. Deze situatietekening is veelzeggend voor de fase, waarin de vervening zich reeds bevond, en voor het gevaar, dat de landscheiding bedreigde.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verponding

Er bestaat een uitvoerig rapport over de toestand in de Wildevenen in 1629.39) In dat jaar moest elk ambacht in Holland een kadastrale opgave doen en zijn geldelijke lasten opgeven om de Staten van Holland een nieuwe grondslag te verschaffen voor het vaststellen van de „verponding", de grondbelasting of "morgengeld".

 

Van de ongeveer 640 morgen, die in dit rapport, de „Verponding van 1632" geheten, worden beschreven, waren er reeds 619 „verdolven", dat wil hier zeggen tot een ondiepe plas gemaakt met hier en daar nog enkele ribben en smalle stroken veen, waarop turf werd bereid en op stapels werd gezet. "Heel land", dus nog niet verdolven land, was er nog maar voor 19 morgen. Dit zal voornamelijk langs de weinige smalle polderwegen en de dijken hebben gelegen en verkeerde in slechte staat, als wij de opgave van de ambachtsbestuurders mogen geloven.39) Het leverde geen „grasvruchten" van betekenis en was hier en daar „laech ende opdriftich" en begroeid met heermoes, een lastig onkruid. Van de huizen - met de schuren en opstallen meegerekend 70 in getal - wordt vermeld, dat zij zeer sober zijn en sommige nauwelijks geschikt voor bewoning, terwijl er enkele leegstaan. Dat betekent, dat er een arme bevolking woonde, die terugliep in getal, ongetwijfeld omdat de polder uitgeveend raakte en velen daarom zoals gebruikelijk wegtrokken.

 

De Wildevenen behoren tot de eerste polders in Holland, die volledig uitgeveend zijn. Uit hoofde van hun lage ligging en geringe geschiktheid voor akkerbouw en zelfs voor weide- en hooiland werden de Wildevenen namelijk des te intensiever geëxploiteerd voor de turfwinning. De waterstaatkundige toestand van de Wildevenen bleef intussen voortdurend slecht.

 

 

Dijkversterking

In 1630 constateerden de hoogheemraden van Schieland, dat aan beide zijden van de oostlandscheiding niet alleen grote plassen lagen, waar vroeger land was geweest, maar ook dat de landscheiding zelf zich in slechte staat bevond. De ambachtsheer van Zevenhuizen en de Wildevenen moest verscheidene malen nadrukkelijk door de hoogheemraden worden aangemaand die landscheiding te herstellen. In 1640 was dat nog steeds niet op afdoende wijze geschied. Waarschijnlijk bleef ook de dijkgraaf van Schieland, Herman van Wielick, in gebreke voldoende druk op de ambachtsheer uit te oefenen, want bij een andere gelegenheid kreeg hij een berisping van de hoogheemraden wegens gebrek aan ambtsijver.40)

 

De doorbraak van de Lekdijk in 1638, die de eveneens in slechte staat verkerende Dorrekenskade had doen bezwijken, had nog eens de noodzakelijkheid van de grondige reparatie van de landscheiding rondom de Wildevenen aangetoond. De herstelwerkzaamheden, in 1641 op last van de toenmalige ambachtsvrouwe der Wildevenen verricht, hadden geen blijvend resultaat: weldra ging de toestand van de dijk weer van jaar tot jaar achteruit.

Een beletsel voor het afdoende versterken van de dijk vormden waarschijnlijk de bijzondere hoge kosten wegens de afslag door de plassen, waaraan de dijk voortdurend bloot stond. De overweging, dat de dijk niet alleen het ambacht Zevenhuizen en Wildevenen, maar ook geheel Schieland moest beschermen en dat dus geheel Schieland in de herstelkosten behoorde bij te dragen, zal de ambachtsvrouwe evenmin tot het maken van genoemde hoge kosten hebben geanimeerd.

Een afdoende oplossing van dit vraagstuk kon slechts worden bereikt door versterking van de landscheiding met ruime geldelijke steun van het hoogheemraadschap Schieland en door de droogmaking van de plassen, die voortdurend aan de voet van de landscheiding knaagden. Omstreeks deze tijd werden plannen tot droogmaking van de Wildevenen uitgewerkt.

 

Warnard van der Wel

De man, die het initiatief tot dit werk nam, heette jonkheer Warnard van der Wel. Terwijl de eerste voorbereidingen voor het uitmalen van de Wildevenen werden getroffen, nam in 1647 Van der Wel het versterken van de landscheiding, die zijn schepping afdoende moest beschermen, ter hand.

Dit geschiedde op grond van een overeenkomst met Schieland, waarbij dit hoogheemraadschap het versterken tot een bepaalde breedte en hoogte bedong tegen een subsidie van twee gulden en vier stuiver per roede dijks.41)

 

Met deze overeenkomst zijn wij genaderd tot de uitvoering van de droogmaking van de Wildevenen, waarover het tweede deel van deze studie handelt.
 

 

1) Men zie de gedichten van Joost van den Vondel en Betje Wolff-Bekker op de Beemster en het lange gedicht "De Rottestroom" van Dirk Smits over de droogmakerij de Honderd Morgen of de Wildevenen, aangehaald op blz. 105 van dit werkje.

2) Keuning, Het Nederlandsche volk in zijn woongebied, blz. 36-43.

3) Niermeyer, Onze volkshuishouding, blz. 11, 18 e.v. Hij noemt hier de Romeinse schrijver Plinius uit de eerste eeuw na Chr. en de Spanjaard Tartoesji uit de 10e eeuw, die berichtten over het winnen van turf, alsmede de IJslandse sage van de Noorman Egil, die in 955 ons land bezocht en daar sloten opmerkte.

4) Keuning, Het Nederlandsche volk in zijn woongebied, blz. 126.

5) Diepeveen, De vervening in Delfland en Schieland, blz. 10-14. Zie ook noot 3.

6) Diepeveen, blz. 74-77; Van Balen, Uit de geschiedenis van Waddinxveen, blz. 19.

7) Diepeveen, blz. 15; Van der Linden, De Cope, hs. 4. Het woord „cope" vindt men terug in tal van dorpsnamen, zoals Boskoop, Nieuwkoop, Papekop, Willeskop, Benschop.

8) Gosses, De vorming van het graafschap Holland, blz. 107 e.v.; Van der Linden, De Cope, hs. 2.

9) Voorling — in het Middelnederlands voirlinc, d.w.z. een ploegvoor lang — is de naam van een oude lengtemaat. Zie Verwijs en Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek, deel 9, Den Haag 1929, i.v. voirlinc. De grootte van deze lengtemaat wordt door Van der Linden, De Cope, blz. 23, gesteld op ongeveer 210 meter.

10) Unger, Regestenlijst voor Rotterdam en Schieland, no. 1168, blz. 347; Van Balen, De stad Gouda en de verveningen in haar omgeving, blz. 38.

11) Unger, Regestenlijst no. 78, blz, 23.

12) Unger, Regestenlijst no. 90, blz. 27.

13) Unger, Regestenlijst no. 934 en 940, 16 april 1370

14) unger, Regestenlijst no. 1109, blz. 330.

15) Diepeveen, blz. 68, 87, 88 en 90.

16) Van 't Hof f, De provinciekaarten van Jacob van Deventer, 's-Gravenhage, 1941, kaart 7

17) Fockema Andreae, Landscheidingen der midden Hollandse hoogheemraadschappen, blz. 134; Van der Linden, De Cope, blz. 66-68.

18) Archief Schieland inv.no. C 5, fo. 190 e.v.: verzoekschrift van de heer van Sommelsdijk aan Filips II, 1566; Diepeveen, De vervening in Delfland en Schieland, blz. 69.

19) Unger, De oudste keuren van Schieland, Rotterdamsch Jaarboekje, 1899, blz. 263.

2o) Zie ook Diepeveen, De vervening in Delfland en Schieland, blz. 144 e.v.

21) Fockema Andreae, Geschiedenis van Rijnland, blz. 93 e.v.

22) Diepeveen, blz, 162 e.v.

23) Groot Placaetboeck deel 1 kolom 1232 en 1240, deel 2 kolom 1816.

24) Diepeveen, blz. 31 e.v.

25) Diepeveen, blz. 76.

26) Enqueste van 1494, blz. 227.

27) Informacie van 1514, blz. 371-372.

28) Informacie van 1514, blz. 486.

29) De uitbreiding der uitgeveende plassen wekte op de duur ook de bezorgdheid van de besturen der naburige steden. Zo trok het bestuur van Gouda in 1663 met toestemming van de Staten van Holland een kring met een straal van 800 tot 900 roeden om de stad, waarbinnen niet mocht worden geveend. Ook Delft heeft een dergelijke maatregel genomen. Zie Van Balen, De stad Gouda en de verveningen in haar omgeving, blz. 45.

30) Unger, De oudste keuren van Schieland, blz. 250, noot 19.

31) Unger, De oudste keuren van Schieland, blz. 250, noot 19; noot 29.

32) Diepeveen, blz. 148

33) Alg. Rijksarchief Den Haag, "Holland voor 1572", no. 1160; Diepeveen, De vervening in Delfland en Schieland, blz. 158.

34) Archief Schieland, inv. no. C 5, fo 4, 17vo, 25, 27, 31, 33.

35) Archief Schieland inv. no. C 5, fo 190 e.v., Rekest van de heer van Sommelsdijk aan de koning, 24 nov. 1566.

36) Archief Schieland, inv. no. C 5, fo 190 e.v., Schieland aan het Hof van Holland, 15 okt. 1569.

37) Gemeente-archief Rotterdam, Atlas Roterodamum Illustratum, en elders.

38) Mr Simon van Veen was in de jaren 1590-1600 advocaat-fiscaal van het Hof van Holland. Ook heeft hij een rol van betekenis gespeeld als juridisch raadsman van de ambachtsbesturen van Delfland, toen deze omstreeks 1590 in rechtsgeschillen waren gewikkeld met het hoogheemraadschap Delfland. Zie Th. F. J. A. Dolk, Geschiedenis van het hoogheemraadschap Delfland, ''s-Gravenhage 1939, blz. 186, 191, 198, 203, 205 en 228. Waarom Van Veens naam is gehecht aan de plas bij de landscheiding is mij niet bekend.

39) Gemeente-archief Rotterdam, Quohier van het redres van verpondinge, geformeert in den jare 1629, deel Zevenhuizen en Wildevenen.

40) Archief Schieland, inv.no. B 1, resolutie 31 mei en 29 juni 1641.

41) Archief Schieland, inv.no. B 2, fo 5 en 6.