Geschiedenis,

 

de geschiedenis van de Wildevenen en Moerkapelle.

Geschiedenis,

 

strijd om de Hildam, meerdere keren was het raak.

Geschiedenis,

 

de donderdam, een overtoom tussen Moerkapelle en Waddinxveen.

Geschiedenis,

 

het oproer van moerkapelle, de prinsgezinden tegen de patriotten.

Geschiedenis

 

De droogmaking van de Wildevenen in Schieland

 

De Wildevenen of de Honderd Morgen, zoals zij ook worden genoemd, is een droogmakerij van 592 hectare oppervlakte, gelegen midden in het Zuid-Hollandse voormalige veengebied, aan het noordelijkste deel van de Rotte. Nadat het veen geleidelijk was verwijderd om als turf voor brandstof te worden verkocht, en zich ter plaatse een plas had gevormd, ondergingen de Wildevenen in het midden van de 17e eeuw een gedaanteverandering: de plas werd drooggemaakt en het golvende schuimende meer veranderde in een vruchtbare polder.

 

Uit "de droogmaking van de Wildevenen in Schieland" van C de Jong.

 

 

De ontstaansgeschiedenis van de polder.

 

Het landschap van Rottemeren-Zuidplas is een relatief jong landschap. Het is een ‘gemaakt landschap’, dat in zijn huidige vorm is ontstaan door een opeenvolging van menselijk handelen. Zo’n duizend jaar geleden bestond het gebied uit een uitgestrekt, nauwelijks begaanbaar veenmoeras. Dit veenlandschap werd doorsneden door rivieren zoals de Hollandsche IJssel en veenstromen als de Rotte en de Gouwe. De Rotte zelf ontspringt vlak bij Moerkapelle en mondt uit in de brede Nieuwe Maas. Langs de Rotte, de Gouwe en de rivier de Hollandsche IJssel lagen betrekkelijk hoge zand- en kleiruggen, zogenaamde oeverwallen. Zij werden al in de Vroege Middeleeuwen bewoond. Vanaf het einde van de 10e eeuw werd vanaf de Hollandsche IJssel en de Rotte het veen ontgonnen en werden percelen geschikt gemaakt voor landbouwkundig gebruik. Vanaf de 13e eeuw volgde ontginning langs de Gouwe.

 

landscheiding

 

 

 

 

 

In de 13e eeuw ontstonden in Zuid Holland ook de drie hoogheemraadschappen Rijnland, Delfland en Schieland. Om de afwatering te verbeteren, maar ongetwijfeld ook om grenzen af te bakenen, werden zogenaamde landscheidingen getrokken. Dat waren kaden of dijken op plaatsen waar reeds cultuurland aanwezig was.

 

De  historische landscheiding tussen Rijnland en Schieland vormt de oost- en noordgrens  van de polder de Wilde Veenen. In deze tijd verbond een gegraven waterloop de Rotte met de Oude Rijn. Waar de landscheiding het water bereikte werd de waterloop afgedamd: de later, door zijn conflicten met Gouda, welbekende Hildam.

 

 

Turfwinning.

 

 "Gelukkig is het land, / Daart 't kind zijn moer (= turf!) verbrandt", rijmde Vondel. Vanaf de 15e eeuw steeg de vraag naar turf. Dit had te maken met de uitbreiding van de omliggende steden (Gouda en Rotterdam), de groei van de bevolking en de toenemende brandstofbehoefte van de industrie, zoals steenfabrieken en bierbrouwerijen. Van de 16e tot 18e eeuw werd in het gebied op grote schaal turf gewonnen. In eerste instantie werd het veen droog gewonnen.

 

 

 

baggeren

 

 

Later werd het slagturven uitgevonden, waardoor het veen onder de waterspiegel ook gewonnen kon worden. Maar turfwinning bracht in het westen van ons land op grote schaal landbederf en had op de duur schadelijke gevolgen. Waar de veenlaag was weggegraven of weggebaggerd, bleef een plas achter, die door afslag van de oevers gevaar opleverde voor aangrenzende waterkeringen.

 

Als gevolg van deze turfwinning ontstond een uitgestrekt plassengebied. De veenplassen waren slechts van elkaar gescheiden door smalle stroken hoger gelegen oud land waarover de doorgaande wegen liepen met aan weerszijden de boerderijen. De eerder genoemde afslag en de behoefte aan meer landbouwgronden waren de reden dat de veenplassen vanaf de 17e eeuw één voor één werden drooggelegd. Dat de gewestelijke overheid minder inkomsten had, omdat de verwaarloosde plassen weinig of geen grondbelasting meer opbrachten, speelde natuurlijk ook een rol. Toch waren de droogleggingen een particuliere initiatieven. Voor een drooglegging moest vergunning (octrooi) worden aangevraagd bij de Staten van Holland, waarbij de aanvragers ook vrijstelling van belastingen en accijnzen bedongen.

 

 

boek2

 

 

 

C de Jong.

Over de droogmaking van de polder heeft C de Jong in 1957 een boek uitgeven als onderdeel van een reeks "Zuid-Hollandse studiën".

 

 

C de Jong groeide op in Rotterdam, maar logeerde in de zomervakanties, als bleekneusje uit de stad, bij oom Jaap de Jong in Moerkapelle. Daar bij oom Jaap aan de Raadhuisstraat is ongetwijfeld zijn interesse ontstaan in Moerkapelle en de polder de Wildevenen.

 

 

 cornelis

 

 

 

 

 

Zes molens.

Door het grote hoogteverschil lukte het niet om het overtollig water uit de polder met één molen in de Rotte (boezemvaart) te malen. Daarvoor waren zes molens op het noordelijkste deel van de Rotte nodig. Nadat de ringdijk in behoorlijke staat was gebracht, vlotte het uitmalen sneller dan voorheen. Het voorste deel van de polder, bewesten de Calisweg, die voortaan Herenweg werd genoemd ter ere van de heren bedijkers, viel het eerst droog. Op 1 mei 1655 werd het oostelijk deel van  de Wildevenen verkaveld: 15 kavels. Voor van Hoogendorp 4 kavels, Herrewijn 3, Job van Brederode 2, van Swaanswijck 5 en van Lobbrecht 1 kavel. Landmeter Johannes Douw stelde in 1660 de oppervakte van de droogmaking vast op 586 morgen en 322 vierkante roeden (Rijnlandse maat).

 

 

Zevende molen.

Om het oostelijk deel van de polder droog te malen werd een achtkante bovenkruier op de oostlandscheiding geplaatst, die het water uitsloeg op Rijnland. Reeds in 1657 werd deze 7e molen verplaatst naar de plaat waar hij nu nog staat en maalde het water door de Grote Duikertocht naar de benedenmolen aan het westeinde van de tocht . Door de verplaatsing vermeed het polderbestuur toekomstige conflicten, die konden ontstaan als de Wildevenen water bleven uitslaan op het vreemde hoogheemraadschap Rijnland. Nadat in 1924 de bemaling door windmolens was vervangen door elektrische bemaling werd de molen ontdaan van zijn wieken en kap en kreeg de naam  de Platluis. Altans dat denken veel inwoners van Moerkapelle, maar de molen wordt al in de 17e eeuw "platluis" genoemd.

 

Na de droogmaking ontwikkelden de Wilde Veenen zich tot landbouwgebied, er werden verschillende boerderijen gebouwd. Het in de Wilde Veenen gelegen Moerkapelle groeide uit tot een bescheiden dorp. De 6 molens van de Wilden Veenen hebben tot 1925 hun werk gedaan en zijn zijn, hoewel afgeknot, nog steeds te vinden aan de Rottedijk..