De wildevenen temidden van het water

 

Nieuwe droogmakerijen waren nodig om het water te keren

 

De nieuwe droogmakerij de Honderd Morgen of de Wildevenen geheten, deed in vruchtbaarheid niet onder voor de beste polders van Nederland in die tijd. De eerste jaren zijn zonder twijfel voor de boeren moeilijk geweest, maar daarna begon hun ingespannen pioniersarbeid vruchten af te werpen. Toch was voor de eerste bewoners van de droogmakerij geen rustig bestaan, vrij van rampen, weggelegd. Ruim een halve eeuw lang waren de Honderd Morgen omringd door plassen, die door het gestadig uitvenen van jaar tot jaar dieper werden en zich steeds uitbreidden. De smalle, slecht onderhouden kaden langs hun oevers braken soms door en vormden een voortdurende bedreiging voor de Wildevenen. De polder lag als een klein eiland te midden van uitgestrekte,  troosteloze veenplassen.

 

Op kaarten van Zuid-Holland aan het eind der 17e en uit de 18e eeuw ziet men, welk een bedenkelijke omvang het landverlies ten gevolge van de turfwinning had aangenomen.1) In de nabijheid van vrijwel alle Hollandse steden ontstonden in de tijd van de Republiek plassen als gevolg van de vervening, die moest voldoen aan de gestadig groeiende behoefte aan brandstof in het houtarme Holland. Onweerstaanbaar schreed dit proces, dat in de middeleeuwen was aangevangen, maar eerst tijdens de Republiek ernstige gevolgen op grote schaal met zich bracht, voort. https://www.youtube.com/watch?v=MUQ4K-0-MXQ

 

Geen verordeningen en boeten van de waterschapsbesturen en de Provinciale Staten vermochten de vervening te binden aan grenzen, waarbinnen zij geen gevaar opleverde voor het aangrenzende land. Ondanks de voorschriften, dat de veenarbeiders op eerbiedige afstand van de dijken en kaden moesten blijven, werd elk jaar overal de strook "voorland", welke de voet der waterkeringen moest beschermen, smaller, totdat het water tegen de polderkaden klotste en deze gestadig afknabbelde en ondermijnde.

 

Er bleef slechts één uitweg over. Dat was het volledig afgraven van de veengronden om daarna de uitgeveende plas zo snel mogelijk droog te malen. Hierdoor zou in grote delen van Holland niet alleen "de vratige waterwolf" worden opgeruimd, maar ook akker- en weiland van goede kwaliteit worden gewonnen. Welke middelen de overheid aanwendde om de droogmaking te bevorderen, afgezien van het verlenen van vrijstelling van belastingen, staat verder in dit hoofdstuk.

 

 

Eerste tegenslag: 1672 Rampjaar

Bekend is, dat toen de Franse armee van Lodewijk XIV in 1672 ons land grotendeels onder de voet liep, de sluizen werden geopend en de dijken werden doorstoken om de Hollandse Waterlinie in werking te stellen en de invaller te keren. Van de Zuiderzee tot Geertruidenberg strekte zich een hier brede, daar smalle strook ondergelopen polderland uit.

 

Toen de winterstormen opstaken, werden deze watervlakten een bedreiging voor de aangrenzende niet geïnundeerde (drooggemaakte) polders, onder andere voor de zwak beschermde Wildevenen. In het begin van oktober 1672 staken de Fransen bovendien de Lekdijk door, zodat het Lekwater naar Ijselstein stoomde en tot onder Woerden het land overstroomde. Hun bedoeling was een tegen-inundatie tot stand te brengen om het leger van de Prins van Oranje onder water te zetten. Dat kunnen wij ook, zal de Franse Koning hebben gedacht.

 

De Prins riep op 7 oktober de hoogheemraden van Schieland en Delfland naar zijn hoofdkwartier te Bodegraven en verzocht hun de Wierikkedijk, die Rijnland, Schieland en Delfland tegen het water uit de provincie Utrecht beschermde, te versterken. Het mocht echter niet meer baten. In januari 1673 brak de Wierikkedijk door, spoedig daarna de Gouwekade en het water overstroomde westwaarts verscheidene voor inundatie gespaarde polders.2)

 

 

Dijkdoorbraak

Eerst bezweek de Moerse Zijdewind aan de zuidzijde van de Wildevenen voor de golven van de welhaast onafzienbaar geworden watervlakte in het hart van Holland. Daarna de Moerse kade, die evenwijdig met de Zijdewind liep. De polder liep onder, de boerderijen moesten worden ontruimd en langer dan een jaar stond het land onder water. De opstallen werden door de golfslag gedeeltelijk vernield en ook van houtwerk beroofd door buren, die in deze schrale, benarde oorlogstijd om brandstof verlegen zaten.

 

 

Opnieuw werd een octrooi aangevraagd

De hoofdingelanden talmden niet de Staten van Holland octrooi te vragen voor het droogmalen van hun polder. In sombere kleuren schilderden zij de treurige toestand, waarin de voorheen zo bloeiende droogmakerij verkeerde. De dijken waren van buiten en van binnen door het water afgeslagen, zodat men op verscheidene plaatsen er met schuiten doorheen kon varen. Het water stond wel 12 voet boven het maaiveld. Sommige inwoners van de polder verkochten reeds in vertwijfeling voor een appel en een ei hun vee, waarvoor ze geen voedsel hadden, en trokken weg.

 

De supplianten (indiener van een verzoek) klaagden verder, dat zij jaarlijks nog 418 gulden aan verponding moesten betalen, terwijl de bedijkers van de Driemanspolder onder Zoetermeer en Hazerswoude, die in 1668 was drooggemalen, en van de Wassenaarse polder onder Vriesekoop (Leimuiden), die omstreeks dezelfde tijd was drooggemaakt, waren vrijgesteld van die belasting.

 

De Heren Staten kwamen de ingelanden goedwillig tegemoet door op 17 augustus 1673 het oude octrooi van 1646 met alle daarin vermelde, maar thans verlopen vrijdommen met 12 jaar te verlengen en door bovendien vrijstelling van de impost op de gebruikte stenen en kalk te verlenen. Deze laatste gunst was gevraagd om de vernielde bouwmanswoningen (boerderijen) in de Wildevenen te herstellen.3)

 

De watermolens waren gespaard gebleven en in het voorjaar van 1674 begonnen zij weer te malen, zodat het jaar daarop de polder weer droog was en de landarbeid opnieuw kon beginnen. Die grote capaciteit van de bemaling had overigens ook nadelen.

 

 

Het boezempeil van het hoogheemraadschap

Een boezem is een tijdelijke opslagplaats voor overtollig polderwater. Hiervoor werden ringvaarten, meren en afgedamde rivieren gebruikt. De boezem voor het hoogheemraadschap Schieland was de Rotte. Begaan met het lot van de polder willigden de Staten ook het verzoek van de ingelanden in, te allen tijde te mogen malen zonder acht te slaan op het door het hoogheemraadschap Schieland voorgeschreven peil van de boezem van Schieland, de Rotte. Zij deden dit in een onbewaakt ogenblik en de hoogheemraden van Schieland waren daarover slecht te spreken. Zij zonden in 1680 een remonstrantie (protest) aan de Staten van Holland, inhoudende dat zij klachten ontvingen van de ambachten aan de Rotte over het malen van het polderbestuur van de Wildevenen, dat zich aan geen waterpeil stoorde en de andere polders met zijn water overlast aandeed.

 

Deze "driestheid" was volgens het hoogheemraadschap de oorzaak dat, op sommige plaatsen de Rottedijk was doorgebroken. Toen de hoofdingelanden van de Honderd Morgen ter verantwoording werden geroepen, wezen zij op het octrooi, dat hun in 1673 was verleend. De hoogheemraden van Schieland vroegen nu aan de Heren Staten, of het hun bedoeling was de ambachten aan de Rotte door dat octrooi te laten benadelen. Vermoedelijk zijn de Staten wel in verlegenheid gebracht. Aan hun woord, dat zij eens aan de Wildevenen bewoners hadden gegeven, wilden zij echter niet tornen en het octrooi lieten zij daarom ongewijzigd, maar ze besloten op 26 maart 1681 geen octrooi meer te verlenen zonder eerst de dijkgraaf en de hoogheemraden van het hoofdwaterschap, waarbinnen de bedijking zich bevond, te raadplegen.4) Met deze resolutie moesten de heren van Schieland blijkbaar tevreden zijn.

 

 

Tweede dijkdoorbraak


De ernstigste bedreiging voor de Wildevenen kwam in de beginjaren van de polder van de kant van de Bleiswijkse Honderdveertig Morgen. Deze uitgeveende plas aan de overkant van de Oude Lede (Rotte) was weliswaar klein, maar het water in de plas werd bij een westerstorm opgejaagd tegen de Oude Leekade, die de westkant van de Wildevenen beschermde. Al snel na de tweede droogmaking van de Wildevenen, in 1664, verzochten de bedijkers van deze polder octrooi voor de droogmaking van de Honderdveertig Morgen.

 

De Staten van Holland vroegen bij deze gelegenheid advies aan het hoogheemraadschap Schieland. Dit college raadpleegde de ambachten, die op de Rotte uitsloegen. De meeste ambachten waren tegen de droogmaking, omdat daardoor de Rotteboezem te zeer verkleind zou worden en ook deze polders sterker zouden moeten malen, wat extra kosten voor hun bemaling zou veroorzaken.5)

 

Voorlopig kwam er dan ook niets van deze bedijking. Dit verzuim zou de Wildevenen echter duur komen te staan. Op 13 januari 1682 woei er een storm uit het westen, die het water van de Honderdveertig Morgen zo hoog tegen de Oude Leekade opstuwde, dat deze bezweek over een lengte van 12 roeden (45 meter). Het water stortte zich met groot verval, door het gat in de dijk, op het land achter de kade, waar een diep gat werd gevormd en een zogenaamde "wel" ontstond, dat pas geleidelijk is dichtgegroeid.

 

 

Geen subsidie

Opnieuw nam het water bezit van de polder en vervoegden de hoofdingelanden zich bij de Staten van Holland met het verzoek een nieuw octrooi met uitgebreidere vrijdommen en een grote subsidie toe te staan om de polder weer droog te kunnen maken. De supplianten gaven andermaal te kennen, dat huns inziens de ingelanden van de eerder vermelde Driemanspolder en Leimuidense polder voor de droogmaking veel ruimere faciliteiten hadden gekregen, en betoogden, dat zij in 1673 om de Wildevenen voor de tweede maal droog te maken, een kapitaal van f 80.000,-- hadden moeten "lichten" (lenen).

 

De Staten verleenden vrijstelling van belasting in dezelfde omvang vang als zij aan de Driemans- en de Leimuidense polder hadden verleend, maar stonden voor de ondergelopen Wildevenen geen subsidie toe.6) De hoofdingelanden waren dan ook niet tevreden met het in 1682 verkregen octrooi. Het jaar daarop was de polder echter weer drooggemalen en in cultuur genomen.

 

 

De situatie aan het eind van de 17e eeuw

Toen het octrooi in 1692 afliep en de hoofdingelanden verlenging aanvroegen, schilderden zij nogmaals en uitvoeriger dan voorheen de toestand, waarin hun polder verkeerde. Het gevaar van de toenemende omvang van de aangrenzende plassen, nam namelijk doorsteeds verder toe. De Zijdewind, die de eerste verdedigingslinie van de droogmakerij in het zuiden vormde, was op sommige plaatsen ernstig aangetast. Even verontrustend was het, dat de Ruige Landscheiding, die het ambacht Zevenhuizen scheidde van de ambachten Moordrecht en Nieuwerkerk, eindelijk was bezweken, zodat de plassen in die ambachten in elkaar waren gevloeid. De doorbraak was, zoals de octrooi-aanvragers het plastisch, maar niet geheel duidelijk uitdrukten, te wijten aan "een nooit voor dezen gehoorden verholen wint, zich van onder het ijs met een geweldige borst lossende, van onder uit de grond tot op de kruin opgeborsten".

 

Blijkbaar was de zwakke dijk bezweken door zware ijsgang. Het gevaar voor de ringdijk van de Honderd Morgen was daardoor weer toegenomen. Om deze dreiging te verminderen hadden de hoge heemraden van Schiedam op de Donderdam een plank laten slaan. Dit op de plaats waar de ringdijk laag was om de schuiten in en uit de Moerse vaart te kunnen winden en die 6 tot 8 duim water tegenhield. De hoofdingelanden van de Wildevenen achtten deze maatregel onvoldoende en waren bovendien ontevreden, omdat de scheepvaart door de Moerse vaart nu praktisch onmogelijk was geworden en de polder geen inkomsten meer ontving uit het sluisgeld, dat werd geheven aan het verlaat bij de Holvoeterbrug.

 

Zij herinnerden in hun verzoekschrift de Staten van Holland er aan, dat de eerste bedijkers van de droogmakerij  "allen lieden van considerabele middelen" en ook sommige mensen, die bij de tweede en derde droogmaking waren betrokken, geruïneerd waren door de hoge kosten verbonden aan dit werk. Misschien is deze bewering een beetje overdreven, maar er blijkt uit, dat men het faillissement van Warnard van der Wel nog niet vergeten was. De hoofdingelanden wezen verder op de heilzame gevolgen, die de droogmaking van de omringende plassen voor het "gemenebest" (samenleving) zou hebben, en eindigden weer met een verzoek om vrijstelling van alle belastingen en om een subsidie.7)

 

Al eerder zagen we, dat de verhouding tussen het polderbestuur en het hoogheemraadschap Schieland niet altijd hartelijk was. Een kwestie met Schieland, die in deze jaren nog steeds speelde, betrof het subsidie door het hoogheemraadschap aan de polder uit te betalen. Bewogen door de ramp, die de Wildevenen in 1673 had getroffen, had het hoge college in dat jaar een subsidie van f 3000,-- toegezegd, te betalen in vier jaarlijkse termijnen. Na betaling van de eerste f 800,— hadden de heren van Schieland blijkbaar spijt gekregen van hun "milddadigheid" en niets meer uitgekeerd. Tot 1707 en misschien nog later, schreef het polderbestuur brief op brief naar het Schielandshuis om de rest van het subsidie los te krijgen, echter zonder succes.8)

 

 

Het dreigende water

De aanvallen van de aangrenzende plassen op de ringdijk van de Honderd Morgen gingen intussen onverminderd voort en het polderbestuur bleef bij de Staten van Holland petitioneren om vrijdom van belasting en om geldelijke ondersteuning. Aan de oude, welbekende argumenten, voegde het in haast elk verzoek nieuwe vondsten toe. In een verzoekschrift van 1698 wezen de hoofdingelanden er op, dat de eerste bedijkers bij de aanleg van de ringdijk er niet op hadden gerekend, dat deze dijk zoveel water zou moeten keren en dat hij daarom hij uit te licht materiaal (veen) was gemaakt.

 

Verder beklaagden zij zich over het bestuur van de generale bepoldering van Hazerswoude, Benthuizen, Hogeveen en Benthorn. Dit bestuur had volgens het octrooi van bedijking, dat in 1668 was verleend, drie achtkante "suffisante" (voldoend krachtige) watermolens moeten oprichten, maar hadden er maar twee gebouwd. Bovendien hadden ze, in de tijd dat onafgebroken malen vereist was, met name in het voorgaande en het lopende jaar, het malen ontijdig gestaakt. Ook had dat bestuur menigmaal Rijnwater ingelaten. Het verontruste gemoed der Moerkapelse hoofdingelanden begon blijkbaar zondebokken te zoeken voor de benarde positie van de polder.9)

 

Tegen de tijd, dat het lopende octrooi afliep, op 14 november 1699, verleenden de Staten van Holland aan de Honderd Morgen weer vrijdom van een ruim aantal belastingen voor twaalf jaar, doch zij weigerden andermaal subsidie te verstrekken.10)

 

 

Wellen

In deze jaren werden ook klachten geuit over de wellen in de polder. Dat waren kleine, maar soms betrekkelijk diepe plassen aan de binnenvoet van de ringdijk of soms ook midden in de polder. Ze ontstaan door "kwel", dat is water, dat van buiten af onder de ringdijk door de polder binnendringt. Deze gaten, ontstonden vaak na een doorbraak van de polderkaden, maar ook in het midden van de polder kon,vanuit onderliggende lagen (zout) kwelwater aan de oppervlakte komen.

 

Een van die wellen bestaat nog en is ontstaan bij de, eerder genoemde, doorbraak van 1682. Na zware regens liepen de wellen over en deden zij het aangrenzende land overlast aan. Deze wellen, elders "wielen" of "walen" genaamd, komen veel voor langs de rivierdijken in ons land en hebben door hun grote diepte vaak tot de volksverbeelding gesproken, ook in de Wildevenen. In de loop van de tijd zijn de meeste wellen dichtgegroeid of gedempt. Er was groot wel aan de Herenweg, waardoor deze weg een wijde bocht om het wel moest maken.11) Het diende later als vuilnisput van Moerkapelle er is tegenwoordig niets meer van te vinden.

 

 

Molenviergang

In een verzoekschrift, kort na het verkrijgen van het octrooi van 1699 ingediend, zetten de hoofdingelanden van de Moerkapelse Honderd Morgen aan de Staten van hun gewest nogmaals met tal van redenen uiteen, waarom hun polder aanspraak mocht maken op bijzondere financiële steun. Zij beroemden er zich op, dat hun voorgangers, de eerste bedijkers, in 1646 een werk hadden aangedurfd, dat niemand in gans Holland wilde beginnen, zelfs de hoogheemraden van Schieland en Delfland niet. Deze droogmaking had duidelijk aangetoond, dat wanneer de landen waren afgeveend en als turf door de schoorsteen gevlogen, zij nog goed waren om te worden drooggemaakt. De bedijking had echter buitensporig veel gekost en sindsdien was de polder nog gedurig omringd en bestormd door "drie verslindende waterwolven". Hiermee zullen de adressanten in hun bloemrijke taal hebben bedoeld de uitgeveende Honderdveertig Morgen in het westen, de Rijnlandse plassen in het noorden en oosten en de Zuidplas in het zuiden. De hoofdingelanden wezen er verder op, dat een van de twee molengangen aan de Oude Lede vier schepradmolens telde, terwijl de meeste polders konden volstaan met gangen van drie molens of minder, daar zij hoger lagen.12)

 

 

Polderlasten

Toen in 1712 het octrooi afliep, verzochten de hoofdingelanden als vanouds ook voor de toekomst vrijdom van zoveel mogelijk belastingen, onder het aanheffen van de gebruikelijke, maar stellig gegronde klaagzangen, ditmaal gesteund door enige cijfers. De omslag van de polderlasten per morgen beliep in de laatste jaren f 16,-- en f 18,--, terwijl de meeste landen in de polder werden verhuurd voor f 14,-- en f 15,-- en slechts weinige voor f 18,-- en f 20,--, waarvan men dan nog gewoonlijk f 2,-- per morgen moest aftrekken voor reparatie van opstallen.

 

Hoewel deze cijfers nu niet zijn te controleren lijdt het geen twijfel, dat de polderlasten hoog waren. In de polder stonden buiten het dorpje Moerkapelle slechts tien of twaalf boerenwoningen, afgezien van enige arbeidershuisjes, zodat er weinig hoofden waren om de lasten om te slaan.

 

De hoofdingelanden vervolgden hun betoog: De Honderd Morgen waren de enige barrière tussen Schieland en Delfland enerzijds en Rijnland anderzijds en hielden plassen gescheiden, die tezamen 13.000 morgen groot waren. Zou de landscheiding tussen Schieland en Rijnland bezwijken, dan was een catastrofe te verwachten niet alleen voor Schieland, maar ook voor Delfland, dat slechts door een smalle kade rondom de Bleiswijkse Honderd(veertig) Morgen van Schieland gescheiden was. "Men bedenke, dat een dijk evenals een keten slechts waard is, wat zijn zwakste plek kan verdragen, en dat het water in Rijnland altoos ettelijke duimen hoger staat dan in Schieland", zo beweerden de ingelanden.13)

 

Wat zij ook betoogden, zij kregen ook ditmaal niet meer dan de gebruikelijk geworden faciliteiten en overigens veranderde er niets ten voordele van de Wildevenen.

 

 

Bijna weer een ramp

In de winter van 1713 - 1714 doorstond de droogmakerij weer ernstig gevaar. In maart 1714 brachten drie stormen de Noordlandscheiding zware schade toe en enige uren lang stroomde het water uit de Hazerswoudse plas de Wildevenen binnen, zodat de ingezetenen reeds dachten, dat de ringdijk was doorgebroken en de boeren met hun vee en draagbare have naar het dorp vluchtten. Het gevaar week echter. Vele bossen rijshout en latten en karrenvrachten puin waren nodig om de Noordlandscheiding te herstellen.14)

 

 

Derde ramp

Het volgend jaar bracht evenwel de derde ramp. Op 12 februari 1715 joeg een zware storm het water van de Honderdveertig Morgen tegen de Oude Leekade, die het begaf. Door het leeglopen van de Honderdveertig Morgen in de lager gelegen Wildevenen stortte het water van de Rotte zich in de Oude Lede, daarbij het de Holvoeterbrug meesleurde. De Leekade werd over een afstand van 16 tot 17 roeden weggeslagen en het water in de Wildevenen stond tien voet boven het maaiveld.

 

Het is geen wonder, dat in het verzoekschrift, dat de hoofdingelanden dat jaar bij de Staten van Holland indienden ten einde een nieuw octrooi tot droogmaking van hun polder te verkrijgen, een diepe mismoedigheid valt te vernemen wegens deze "geduerige calamiteyten". De indieners verwachten, "dat zoo dierbaar (= duur) land dagelycx, ja met de minste storm weder tot desselfs oude nature zoude wederkeeren en zoo aan andere doen ondervinden wat het was een getal van 580 mergen van alle zyde tegens 13.000 mergen wateren als een bairrière voor Delfland en Schieland te beschermen".

 

 

De droogmaken van de Honderdveertig Morgen.

De Staten begrepen toen wat men van hen mocht verlangen. Zij verleenden octrooi met vrijdom van belastingen en ontheffing van de achterstallige verponding ten behoeve van de Wildevenen, en bovendien octrooi met belastingfaciliteiten voor de bedijking van de Honderdveertig Morgen voor 20 jaar. Zij stelden de voorwaarde, dat het bestuur van de Wildevenen zich zou onderwerpen aan de voorschriften van Schieland inzake het malen van de watermolens en trokken hiermede een gunst in, welke zij de ingelanden bij een vroegere droogmaking hadden verleend.15) 

 

Daartegenover stond, dat de ingelanden van de Wildevenen en van de Honderdveertig Morgen bevrijd zouden zijn van het "Schielands penninggeld", een bijdrage geheven door het hoogheemraadschap Schieland, voor de duur van het octrooi, tenzij de Zuid- of Noord Waddinxveense plassen eerder zouden worden drooggemaakt.16)

 

Blijkens dit octrooi hadden de Hoogheemraden van Schieland dus eindelijk toestemming gegeven tot het droogmalen van de Honderdveertig Morgen, waarvan reeds lang geleden sprake was geweest. Deze polder zou een van de eerste zijn in de lange reeks van uitgeveende plassen in midden Zuid-Holland, die in de 18e eeuw zijn drooggemaakt. Aan de Honderveertig Morgen was de droogmaking van de naburige Binnenwegse polder voorafgegaan. Deze bedijking betekende voor de Wildevenen al enige beveiliging, want de daardoor verdwenen plas bedreigde de Landscheiding, die zich beschermend om de Honderdveertig Morgen boog, en daardoor indirect ook de Wildevenen.

 

 

Binnenwegse polder, de stadse droogmakerij

In 1700 hadden Delfland en Schieland van de provincie octrooi gekregen voor het droogmaken van de plas, doch de werkzaamheden wilden maar geen aanvang nemen. Het volgend jaar deed eerst Delfland zijn aandeel in het octrooi over aan Schieland met bijbetaling van f 20.000,-- ineens, en korte tijd daarna droeg Schieland het octrooi over aan de stad Rotterdam met bijbetaling van de genoemde f 20.000,-- en van een subsidie van f 3000,-- 's jaars gedurende 10 jaar en f 1185,-- in het 11e jaar.17)

 

Het stadsbestuur van Rotterdam, dat in de loop van de 17e eeuw de meeste ambachtsheerlijkheden in zijn omgeving had aangekocht en zich nu ook voor droogmakingen ging interesseren — een bewijs van de handelsbloei en kapitaalkracht van deze tweede koopstad in de Republiek — vatte de onderneming aan en bracht de droogmaking van de Binnenwegse polder tot stand.18) Deze kreeg in de volksmond de naam van "Stadse droogmakerij". Daarna waren de Honderdveertig Morgen aan de beurt.

 

 

De Honderdveertig Morgen

Zoals eerder vermeld was de droogmaking van de Honderveertig Morgen tot dusver afgestuit op het verzet van Schieland. Het hoogheemraadschap wilde geen verkleining van de Rotteboezem. De stad Rotterdam was er echter voor, omdat zij van de droogmaking vermindering van het waterbezwaar, dat de Rotteboezem in de binnenstad veroorzaakte, hoopte.

 

De drooggemaakte Honderdveertig Morgen zouden worden bemalen door de Wildevenen, zo kwam het polderbestuur te Moerkapelle met Schieland overeen. De oude kwestie van het malen boven Schielands peil werd opgelost door de toezegging namens Schieland, dat de hoogheemraden met enige toegeeflijkheid zouden toezien op het malen door de Wildevenen boven peil, en dat hun toestemming vereist zou zijn voor het geval de dijkgraaf de polder zou willen bekeuren. Vermoedelijk hebben het stadsbestuur van Rotterdam en de ambachtsvrouwe van de Wildevenen bemiddeld in de kwestie tussen het polderbestuur en Schieland.

 

 

Beide polders worden drooggelegd

Op 27 september 1715 kregen de hoofdingelanden van de Honderd Morgen van de Staten van Holland octrooi voor de droogmaking van hun polder én van de Honderdveertig Morgen. Voor dit laatste werk voelden zij zich echter niet kapitaalkrachtig genoeg, want in 1716 droegen zij het octrooi, voor zover het de droogmaking van de Honderdveertig Morgen betrof, over aan de burgemeesters van Rotterdam.

 

In het contract van overdracht werd onder meer bepaald:

 

  1. De Wildevenen zullen de Honderdveertig Morgen bemalen voor f 300,— jaars; voor deze bemaling zal door de Oude Leedijk een duiker worden aangebracht, die zal worden onderhouden door de stad Rotterdam.

  2. Het onderhoud van de Oude Leedijk zal blijven ten laste van de Honderd Morgen.

  3. Het onderhoud van de westelijke Rottekade van de Holvoeterbrug af — dus ook de kade langs de Voorhoefpolder — tot aan de molens van de Honderd Morgen zal komen ten laste van de stad Rotterdam.

  4. De grens tussen de Honderdveertig Morgen en de Honderd Morgen zal lopen langs de westelijke voet van de Oude Leedijk.19)

 

In 1719 is het droogmalen van de beide polders voltooid. Van het westen uit dreigde voortaan de Wildevenen geen gevaar meer.

 

Tot 1925 hebben zij de Honderdveertig Morgen bemalen voor f 300-- per jaar. In dat jaar werden de twee polders verenigd en verviel deze vergoeding uiteraard.

 

Merkwaardig is, dat naar aanleiding van de droogmaking der Wildevenen het polderbestuur in 1715 nog eens op het denkbeeld van de pompmolen kwam, waarschijnlijk niet vermoedende, dat eertijds de eerste bedijker Warnard van der Wel tot zijn ongeluk met dit soort molen in dezelfde polder had geëxperimenteerd. Op een vergadering van het polderbestuur op 21 augustus kwam een voorstel van een zekere Alblas aan de hoofdingelanden ter tafel. Dat voorstel hield het gebruik van "molens met pompen malende" tot bespoediging van het droogmaken in. Besloten werd nadere inlichtingen in te winnen. Op de poldervergadering van 9 november 1715 brachten enige bestuursleden verslag uit van de bezichtiging van een "werk van de pompen, elders door zekeren Alblas gesteld". Zij hadden echter bevonden, dat dit werk voor de Honderd Morgen niet voldoende praktisch en daardoor te duur was. In het vervolg werd dan ook niet meer van de pompmolen gerept. Van de uitvinder of uitvoerder Alblas is ons verder niets bekend.20)

 

 

De tweemanspolder

De volgende polder, waarvan de droogmaking de druk op de ringdijk van de Wildevenen en de financiële last op de grondeigenaars in deze polder verlichtte, was de Tweemanspolder. Tegen het jaar 1700 was het ambacht Zevenhuizen nagenoeg geheel verveend. Het werd ingenomen door drie polders, van noord naar zuid de Katjespolder, de Moerpolder en de Swanlase polder.

 

In 1725 vroeg de ambachtsheer van Zevenhuizen, Anthonie van Oudheusden, aan de Staten van Holland octrooi tot bedijking van de landen tussen de Rotte en de weg van Moerkapelle naar Zevenhuizen, hetwelk zonder bezwaar werd verleend. De droogmakerij werd in 1731 in cultuur gebracht en kreeg de naam van Tweemanspolder. Het was de laatste ons bekende droogmakerij in Schieland, die tot stand is gebracht door particulier initiatief.21)

 

 

De vervuiler betaald

Het was ook een van de eerste polders, waarvan het droogmalen werd bevorderd door de nieuwe verordening van de Staten van Holland voor de uitgeveende plassen. Bij deze verordening blijven wij een ogenblik stilstaan. De Staten van Holland werden in de 17e eeuw in toenemende mate verontrust door de gestadige uitbreiding van de uitgeveende plassen en door de daling van de overheidsinkomsten als gevolg van het abandonneren (afstand doen) door de eigenaren van de turflanden van hun verveend en waardeloos geworden grondbezit aan het ambachtsbestuur, waardoor zij ontslagen werden van de verponding of grondbelasting en de polderlasten. De lasten van die geabandonneerde landen drukten dan des te zwaarder op de overblijvende grondeigenaren binnen het ambacht. Dezen klaagden dan en bewogen het ambachtsbestuur bij de Staten verlaging van gewestelijke belastingen te vragen.

 

In de tweede helft der 17e eeuw begonnen de nadelen van de vervening, het verlies van cultuurgrond en gevaar voor aangrenzende dijken en polders, steeds zwaarder te wegen. De overheid had al in de 16e eeuw hiervoor een oplossing bedacht. Dat was de eis van zakelijke zekerheidstelling voor het opbrengen der belastingen. Die eis werd gesteld in het plakkaat van de Staten van Holland in 1545 en herhaald in volgende plakkaten, o.a. de grote samenvattende verordening van 1592.22)

 

Het toezicht op de uitvoering van deze bepaling was echter slap en van de bedoeling der wetgevers kwam dan ook weinig terecht. Daarom namen sommige hoofdwaterschappen deze bepaling zelf in handen. Zij verplichtten de ambachtsbesturen om van de eigenaren van landen in staat van vervening een geldbedrag van de turfopbrengst of per oppervlakte-eenheid te heffen, eerst facultatief in plaats van de bovenvermelde zekerheidstelling, later verplicht. De geheven gelden moesten worden belegd en na voltooiing van de vervening worden gebruikt om de plas droog te maken. Deze verstandige regeling werd echter niet altijd algemeen toegepast. Zij stuitte op verzet bij sommige steden, waar de verveners invloed hadden op het bestuur, o.a. in Amsterdam.23)

 

 

Verplichte heffing voor het droogmaken

In 1700 stelden tenslotte de Staten van Holland de heffing van de z.g.n. afkooppenningen per last turf algemeen verplicht.24) Deze penningen moesten worden belegd in obligaties uitgegeven door de provincie. Dank zij deze regeling is het droogmaken van vele meren in Rijnland en Schieland in de 18e eeuw sterk bevorderd. Zo was voor de droogmaking van de Tweemanspolder de aanzienlijke som van f 76.514,— beschikbaar. Op 31 mei 1727 verleenden de Staten van Holland octrooi tot bedijking aan Anthonie van Oudheusden.25)  In 1734 was de polder droog en kon het "zwart maken" (verwijderen van het onkruid) op de pas drooggevallen grond beginnen.

 

 

De Eendrachtspolder

In de tweede helft van de 18e eeuw vond het droogmaken van uitgeveende plassen in Holland sneller voortgang. Vooral omdat de lagere overheidsorganen meer en meer beseften, dat hier voor hen een taak was weggelegd, die niet kon worden volbracht door het particuliere initiatief en kapitaal. Op 21 januari 1759 verleenden de Staten van dit gewest octrooi voor het droogmaken van de Eendrachtspolder in het ambacht Zevenhuizen ten zuiden van de Tweemanspolder. In 1760 breekt helaas de kade aan het Zuideinde door en loopt de pas drooggevallen polder weer onder.Uiteindelijk is de polder in het voorjaar van 1762 weer droog en kon de Eendrachtspolder worden verdeeld in 51 kavels.

 

 

De Noordplas

Daarna kwam de Noordplas aan de beurt, tot grote opluchting van de ingelanden in de Wildevenen. Ook deze droogmaking heeft een lange voorgeschiedenis. Reeds in 1669 vroegen de schout en ambachtsbewaarders van Noord-Waddinxveen de Staten octrooi tot droogmaking van ongeveer 900 morgen uitgebaggerd en verslagturfd veen in Rijnland, met als motief het gevaar, dat de Noordplas, deze "binnenlandsche zee", voor de aangrenzende kaden en polders opleverde.26) Van de uitvoering van dit plan is toen niets gekomen.

 

Op 30 juli 1700 gaven de Staten van Holland weer een octrooi, nu tot droogmaking van de gehele Noordplas. Het werd verleend aan de besturen van de ambachten Hazerswoude, Benthuizen, Noord-Waddinxveen, Hogeveen en Zoeterwoude.27) Ook hiervan kwam niets; de onderneming was te groot of misschien konden de betrokken ambachtsbesturen het niet met elkaar eens worden. Op 12 mei 1759 kregen zij, nu versterkt met het ambacht Benthorn, andermaal octrooi. 28) Dit maal werd de droogmaking wel opgepakt en in 1765 was zij voltooid. Ook aan de noord-en oostzijde was er voor de Wildevenen geen dreiging meer van afslag en inbraak door de onstuimige Noordplas.

 

 

De Zuidplas

Alleen aan de zuidzijde bleef de "waterwolf" de Wildevenen bedreigen. Daar breidde de Zuidplas zich nog van jaar tot jaar uit, terwijl de belanghebbenden ruzie maakten over de uitvoering van de droogmaking. Afgezien van de grote omvang van deze plas konden de aspirant bedijkers het vermoedelijk niet eens worden met particuliere eigenaren of lokale overheden, omdat het droog te maken gebied behoorde tot vier ambachtsheerlijkheden.

 

Het eerste octrooi dateert van 1700 en werd verkregen door het stadsbestuur van Rotterdam, eigenaar van de ambachtsheerlijkheid Nieuwerkerk, en van Gouda, eigenaar van de ambachtsheerlijkheid Moordrecht. De tekst vermeldt, dat het octrooi werd verstrekt teneinde "niet alleen het gemeeneland van Schieland van den slag dier wateren te bevryden, maar ook een encouragement te geven tot het droogmaken van de andere plassen".29)

 

In de 18e eeuw bleef deze droogmaking achterwege. Maar in december 1801 brak de Zuidplas door zijn westelijke en zuidelijke kade heen en overstroomde de Eendrachts polder. Dit ongeval en de stichting van de eenheidsstaat (Franse tijd) in ons land, gaven tenslotte de stoot tot de beteugeling van de Zuidplas. Vooral het centrale landsbestuur gaf een  groter overwicht op de vaak tegenstrijdige lokale belangen en het meer geld deed toevloeien. Door toedoen van de energieke koning-koopman Willem I is uiteindelijk in 1828 met de droogmaking op staatskosten begonnen. Door de financiële moeilijkheden, veroorzaakt door de Belgische opstand in 1830, duurde het echter nog tot 1839, eer de Zuidplas was drooggevallen.30) De kring van beveiligende droogmakerijen rondom de Honderd Morgen was toen gesloten.

 

Geen storm of watersnood verontrustten sindsdien de vlijtige bewoners van deze vruchtbare polder.
 

 

afbeelding12

 

 

 

De molens aan de Rotte in de Wildevenen gezien vanuit het zuiden

 

Foto naar een schilderij van Marius J. Richters, 1926, in het hoogheemraadschap Schieland te Rotterdam.

 

 

 

 

 

 Voetnoten

1) Zie bijv, de kaart tegenover blz, 3 van De Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden, deel 7, Amsterdam 1749.

2) Archief Schieland, inv.no B 4, resolutiën 6 okt. 1672 en 30 jan. 1673.

3) Polderarchief Wildevenen, inv.no 28 en 43; Resolutiën Staten van Holland 18 aug, 1673.

4) Resolutiën Staten van Holland 26 maart 1681.

5) Archief Schieland inv.no B 4, fo 2, resolutie 20 april 1665.

6) Polderarchief Wildevenen, inv.no 43, Litt. A 1.

7) Polderarchief Wildevenen, inv.no 43, Litt. A 2.

8) Polderarchief Wildevenen, inv.no 43.

9) Polderarchief Wildevenen, inv.no 43, Litt. B 1.

10) Resolutiën Staten van Holland 14 nov. 1699.

11) Jacob Kortebrandt, Beschrijving van Schielandt, deel 2, blz. 869-888, bericht hierover: „Omtrent 300 roeden ten Noorden van de kerk vind men aen de westzijde van de rijweg een klein poeltje in deze droogmakerij, waervan men voorgeeft dat het niet gestopt kan worden en tot op het welzand doorgaet; wat hiervan zij, is mij met geen zekerheit gebleken."

12) Zie Jac. Kortebrandt, aangehaald in noot 9, noot 11; verder Polderarchief Wildevenen, inv.no 43: rekest der ingelanden aan de Staten van Holland 1703, advies van Gecommitteerde Raden 3 maart 1704, appointement 20 februari 1703 op advies van Schieland, resolutie Staten van Holland 28 nov. 1704.

13) Polderarchief Wildevenen, inv.no 43.

14 ) Polderarchief Wildevenen, inv.no 43, remonstrantie van de hoofdingelanden van de Honderd Morgen aan de Gecommitteerden van de Staten van Holland 1714.

15) Zie blz. 80.

16) Resolutiën Staten van Holland 27 sept. 1715.

17) Teixeira de Mattos, De waterkeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland, deel 2, blz. 592; Polderarchief Wildevenen, inv.no 358.

18) Gemeente-archief Rotterdam, resolutiën der Vroedschap 25 okt., 1 en 8 nov. 1700, 20, 24 maart en 4 april 1701.

19) Teixeira de Mattos, De waterkeringen enz. van Zuid-Holland, blz. 592.

20) Polderarchief Wildevenen, inv.no 4, resolutiën polderbestuur 21 aug. en 9 nov. 1715.

21) Gemeente-archief Rotterdam, afd. Heerlijkheden portefeuille Zevenhuizen; het octrooi staat ook in Resolutiën Staten van Holland 31 mei 1727.

22) Groot Placaetboeck, deel 1, kolom 1232 en 1240.

23) Fockema Andreae, Geschiedenis van het hoogheemraadschap Rijnland, blz. 205-207.

24) Groot Placaetboeck, deel 4, blz. 974, en deel 6, blz. 1082 en 1085.

25) Resolutiën Staten van Holland 31 mei 1727.

26) Polderarchief Wildevenen, inv.no 368.

27) Resolutiën Staten van Holland 30 juli 1700.

28) Resolutiën Staten van Holland 12 mei 1759.

29) Groot Placaetboeck, deel 4, blz. 1392, tekst octrooi droogmaking Zuidplas 1700.

30) C. Wiskerke, De droogmaking van de Zuidplas in Schieland, in Economisch-historische opstellen geschreven voor prof. dr Z. W. Sneller, Amsterdam 1947, blz. 129-152.