Slagturven

 

Hoe ging de turfwinning in zijn werk?

 

Het vervaardigen van turf ging als volgt in zijn werk. Van een perceel dat men wilde insteken of aan snee brengen, werd eerst de bovenste laag grond weggegraven, die voor de vervaardiging van turf ongeschikt was. Het veen dat dan te voorschijn kwam, kon, zolang het boven of niet te ver onder de waterspiegel lag, worden vergraven of gestoken: het werd in blokken ter grootte van een turf gesneden en te drogen gelegd. Dit leverde de zogeheten steekturf.

Tot 1530 was dit in West-Nederland de enige methode om turf te vervaardigen. Rond dat jaar kwam in Holland een methode in gebruik om ook de diepere veenlagen te kunnen exploiteren, de zogeheten slagturfmethode. Hiermee kon turf worden gewonnen uit het laagveen dat dieper dan circa één meter onder water lag. De eerste stap in de fabricage van deze baggerturf, slagturf of mengturf was het lossnijden en omhooghalen van de veenlaag van de bodem van de veenplas, met behulp van beugels aan lange stokken, de zogeheten trek- of baggerbeugels.

 

baggerbeugel

 

 

Met deze beugels kon het veen tot op een diepte van wel vier meter weggetrokken worden. Het opgehaalde veen werd in een bootje geschept (de bak of bok) en vervolgens fijngemaakt en goed met water vermengd tot een tamelijk vloeiende slikmassa. Deze slikmassa werd vervoerd naar een legakker. Op deze legakkers waren door middel van dijkjes of houten schotten veldjes afgeperkt waar het slik kon indrogen.

 

turfsteken

 

 

 

 

 

 

 

 

Op de legakker werd het slik uitgespreid tot een hoogte van circa 42 cm. Het slik bleef hier een week liggen om in te dikken. Daarna werd het met tussenpozen van enkele dagen tot vier maal toe getreden: mensen liepen met treeborden onder de klompen over de sliklaag waardoor er water werd uitgeperst en het slik vaster werd. Na de vierde maal treden werd de ingedikte sliklaag door sneden op een onderlinge afstand van 10 à 13 cm in repen en vervolgens, door dwarssneden, in blokken verdeeld ter grootte van een turf, het zogeheten riemen en stikken. Deze proto-turven liet men op de legakker liggen om verder te drogen. Na enkele weken konden ze worden gestapeld om verder te drogen aan de wind. Naarmate het drogen vorderde werd de stapeling een aantal malen veranderd (opbreken, keren, doorzetten en opleggen of aanzetten). Tenslotte, wanneer de turf in hopen afgedekt met riet 'winddroog' was geworden, werd ze opgeslagen in turfschuren of naar een afzetgebied vervoerd.

 

Het hele proces vond plaats in de lente en de zomer. Half maart begon het veenseizoen: vóór die tijd was vervening verboden. Het baggeren gebeurde van maart tot juni. Later baggeren had geen zin omdat de turf dan onvoldoende tijd zou hebben om te drogen. Half september werd beschouwd als het einde van het veenseizoen, de turf moest dan geheel droog zijn. Turf die nog vochtig was wanneer de vorst inviel, bevroor en verpulverde en werd daardoor als brandstof waardeloos.