De droogmaking van het Noordeindermeer en het Sapmeer

Coenders van Helpen


De voornaamste onder de bedijkers van het Noordeindermeer en van het aangrenzende Sapmeertje was Bernhardus baron Coenders van Helpen, heer van Fraem, Sauwerd, Huizinge enzovoort en afgevaardigde van Stad en Lande van Groningen in de Staten-Generaal, tevens ridder in de koninklijke (Franse) orde van Sint Michiel. Coenders werd in 1601 geboren. Hij was in de zeventiende eeuw één van de leiders van de bestuurlijke elite in de Ommelanden.

 

Coenders speelde niet alleen een rol in de regionale politiek, hij was ook actief op landelijk niveau. Namens de Staten-Generaal onderhandelde hij in de jaren 1639 en 1640 als lid van een delegatie met Denemarken om de tolkosten door de Sont te verlagen. Behalve door zijn politieke activiteiten is Coenders ook bekend geworden vanwege het bedrijven van de alchemie, waarover hij diverse werken heeft gepubliceerd. Zijn proeven leidden regelmatig tot ontploffingen in zijn laboratorium in de borg, waarvan de bewijzen bij latere opgravingen werden teruggevonden. Mogelijk werd zijn opvliegend karakter veroorzaakt door de inademing van giftige kwikdampen.

 

Als afgevaardigde bij de Staten-Generaal woonde hij in Den Haag. Van zijn karakter en levenswandel hebben wij bij het onderzoek geen hoge dunk gekregen, maar wat betreft het winnen van cultuurgrond was hij zeer actief. In 1636 kocht hij bijvoorbeeld een uitgebreid complex schorren onder Axel en Terneuzen, die hij in de daaropvolgende jaren heeft laten bedijken.1) Ook heeft hij het initiatief genomen tot het droogmalen van de beide genoemde meertjes in Noord-Holland. Korte tijd scheen het, of hij ook de hoofdrol zou spelen bij het droogmaken van de Wildevenen, maar spoedig heeft hij deze taak overgedragen aan jonkheer Warnard van der Wel. Coenders overleed in 1678.

 

 

Andreas Reusner von Neustadt

De tweede kapitaalverschaffer was de Duitser Andreas Reusner von Neustadt, die met velen van zijn landgenoten in het leger van de Republiek diende en in 1632 ritmeester van de 59e compagnie ruiters was geworden.2) Hij was bovendien „inventeur" en „projecteur", om de taal van zijn tijd te bezigen. D.w.z. hij bezat de geestesplooi zowel van de uitvinder als van de promotor, dat is degene, die een technische uitvinding economisch rendabel tracht te maken. Hij streefde ernaar zijn technische vindingen, of mogelijk ook die van anderen, in ondernemingen van uiteenlopende aard productief te maken. Hij bezat niet voldoende kapitaal om zijn aandeel in de droogmaking van het Noordeindermeer geheel zelf te financieren, maar vond de Haagse koopman Laurens van Swaanswijck bereid als zijn voornaamste geldschieter te fungeren.

 

 

Van Swaanswijck (Swaenswijck)

Vermoedelijk is het deze koopman geweest, die hem in contact met de andere bedijkers heeft gebracht. Wij zullen Van Swaanswijck later ook ontmoeten als medebedijker van de Wildevenen. Hij was de zoon van een Goudse burgemeester en stamde dus uit de stad, die reeds in de middeleeuwen geldelijke belangen in de Wildevenen bezat. Hij werd handelaar in kostbare kledingstoffen, zoals laken en zijde, en vestigde zich in Den Haag, waar hij een talrijke kring van afnemers onder de diplomaten en officieren uit binnen- en buitenland vond.

 

De maatschappelijke rang van deze lakenhandelaren steeg uit boven die van bescheiden textielwinkeliers; zij waren aanzienlijke kooplieden, die met hun handel in dure stoffen dikwijls een groot vermogen bijeenbrachten. Ook Van Swaanswijck slaagde daarin. In 1643 liet hij althans een statig herenhuis aan de Prinsengracht bouwen, en hij bezat nog meer panden in de hofstad. Hij behoorde tot de bestuurders van het Haagse gilde der lakenhandelaren en was kapitein van de Haagse schutterij.3) Door zijn handel kwam hij niet alleen in aanraking met hooggeplaatste ambtsdragers en officieren, maar ook met buitenlandse graven en hertogen, zelfs met Johan Maurits van Nassau, de Braziliaan. Velen van deze heren voerden wel een grote staat, maar bezaten dikwijls niet de gelden daarvoor, zodat Van Swaanswijck hun meermalen stoffen op krediet moest leveren en op andere wijze financiële hulp verlenen.4)

 

Reusner von Neustadt was een van zijn vele schuldenaren. Welke rol de technische kennis van Reusner von Neustadt 5) bij het droogmaken van het Noordeindermeer heeft gespeeld, hebben wij niet nader kunnen vaststellen. Von Neustadt heeft op dat werk geen toezicht kunnen houden, want tijdens de droogmaking bevond hij zich als kolonel in Zweedse dienst. Voor zijn vertrek naar Zweden verleende hij aan de Haarlemse koopman Johan Herrewijn volmacht om zijn belangen in de droogmaking te behartigen. Ook Herrewijn zullen wij later ontmoeten als bedijker van de Wildevenen.

 

 

Inventeurs

Een vierde kapitaalverschaffer bij de droogmaking van het Noordeindermeer was Emanuel Byrck, koopman te Amsterdam, die evenals Reusner von Neustadt optrad op promotor van uitvindingen. Naast de kapitaalverschaffers ontmoet men bij de bedijkingen in de 17e eeuw vaak nog een ander slag lieden. Dat zijn de reeds genoemde "inventeurs", die hun eigen uitvindingen in praktijk trachtten te brengen, merendeels op het gebied der waterbouwkunde, maar ook wel op landbouwkundig terrein, want ook de landhuishoudkunde stond bij de droogmakingen voor nieuwe vraagstukken.

 

Bij de droogmaking van het Noordeindermeer treffen wij twee „inventeurs" aan: het uitvinderspaar Luder Ottersen en Theobald van Hoochsteden, beiden in deze jaren poorter van Amsterdam. De laatstgenoemde was blijkens zijn naam vermoedelijk afkomstig uit het Duitse taalgebied.6) Dat is niet geheel toevallig. De Republiek was namelijk wegens haar snelle economische opbloei een verzamelplaats voor vreemde fortuinzoekers en heeft veel te danken gehad aan deze energieke, zij het soms overmatig fantasierijke en weinig gewetensvolle vreemdelingen.

 

Luder Ottersen en Theobald van Hoochsteden werkten samen bij het productief maken van hun vinding, maar hun samenwerking is later beëindigd door ernstig geschil. Op 25 april 1642 verkregen zij gezamenlijk octrooi van de Staten-Generaal voor een nieuw soort windwatermolen, geldig voor 25 jaar. Hun uitvinding wordt in het octrooi omschreven als "een balancerende molenwerck...machtich om door ettelicke cassen ofte buysen gestadelyck ende door eene subfile hulpe eene groote menichte water op te brengen ter hoochte van ten minsten vierentwintich voet, werdende hetselve werck gedreven door seecker cogelwerck ofte oock door een wintvogel, die sonder verstellen met allerhande geringe winden omgaet ende tegens den stercksten wint door een jongen van vijftien jaren sonder moeyte kan worden gestuyt".7) Op 2 mei 1667 werd het octrooi verlengd ten name van Theobald van Hoochsteden en zijn toenmalige consorten. Luder Ottersen was inmiddels overleden.8)

 

Deze nieuwe windmolen was blijkbaar een combinatie van technische beginselen, naar de verwezenlijking waarvan velen in ons land in de 17e eeuw ijverig hebben gezocht en die in de desbetreffende octrooien — ook in het boven aangehaalde — vaak slechts vaag worden omschreven, wellicht met opzet. De molen was uitgerust met een horizontaal wiekenstel, dat draaide om een verticale as, zodat men de molen niet behoefde te kruien naar de windrichting. Met het „balancerende molenwerck" doelden de octrooi-aanvragers blijkbaar op dit zelfkruiende karakter van hun molen.9) Deze was bovendien een pompmolen, die het water niet door een scheprad, maar door pompen, gevat in „cassen ofte buysen", omhoog bracht. De aandrijving van deze pompen gebeurde door een "windvleugel", dat is het horizontale wiekenstel, of door een "cogelwerck", dat was een denkbeeldige mechanische toepassing van het befaamde perpetuum mobile in de vorm van een rad met een rollende kogel, die het rad in altijddurende beweging zou houden.10)

 

De uitvinders hadden nog meer pijlen op hun boog. Op 17 december 1646 kregen Emanuel Byrck en consorten (waaronder Theobald van Hoochsteden), van de Staten-Generaal een octrooi voor een zestal onderling samenhangende uitvindingen, die een oplossing pretendeerden te geven voor enige belangrijke vraagstukken, welke zich voordeden bij de molenbouw en de aan- en afvoer van water.11) Omdat van een rechtstreeks verband tussen de droogmaking van het Noordeindermeer en deze uitvindingen niets is gebleken, laten wij ze hier verder rusten.12) Als uitvinders van het nieuwe soort watermolen werden Luder Ottersen en Theobald van Hoochsteden dus bij de droogmaking van het Noordeindermeer betrokken. 

 

Ook Andreas van Havervelt, geneesheer in Den Haag, was bij deze bedijking betrokken. Johan Herrewijn, de zaakwaarnemer van overste Reusner von Neustadt, verleende hem enige malen procuratie om de belangen van deze officier bij de droogmaking te behartigen. Het is heel goed mogelijk, dat Van Havervelt kapitaal of vernuftige ideeën voor deze onderneming heeft verschaft. Ook hij heeft namelijk een octrooi op zijn naam staan. Op 6 mei 1650 verleenden de Staten-Generaal hem octrooi voor het exploiteren van „de wetenschap ... hoe men alle gecultiveerde landen in haer vigeur sonder mes(t) can onderhouden, dat deselve met allerhande saet alle jaer sonder missche (= mest) konnen besaeyt worden, ende dat in perpetuum, — boven dat hij alle heyelanden off veenlanden, die goeden gront onder hebben, tot weylanden off graslanden, oock tot coorenlanden, sonder mis (= mest) toemaecken, off oock door sonderlycke compedieuse inventie met het mis met weynich costen prepareren can".13)

 

"Doctor" van Havervelt wilde dus cultuurgrond vruchtbaar houden zonder toepassing van (natuurlijke) mest en hei- en veengrond omzetten in grasland of korenland, eveneens zonder gebruik van mest. Hoe hij dat dacht klaar te spelen, blijkt echter niet uit het octrooi. Het hoeft ons niet te verwonderen, dat in deze tijd een geneesheer zich bezig hield met de landhuishoudkunde.Hij zal hiertoe zijn gekomen door studie van de biologie en de natuurkunde, omdat er in die tijd nog weinig specialisatie voor een bepaalde tak van wetenschap bestond.14) Van Havervelt raakte dus geïnteresseerd in de droogmaking in de hoop dat hij zijn kennis van landbouwmethoden productief kon maken.

 

 

Promotors

Tenslotte waren bij dit werk nog een paar andere betrokken. Dit waren vertegenwoordigers van het slag der promotors. Naast de technisch aangelegde ondernemer, die persoonlijk uitvindingen doet of veel affectie heeft met de techniek, trefffen we een ondernemerstype aan dat beschikt over het zakentalent. Talent dat nodig is om uitvindingen van anderen op haar merites te beoordelen en in een onderneming productief te maken. Dit tweede type is de promotor, mensen die in de 17e eeuw uitvinders op geldelijke en andere wijze steunde, octrooien op zijn eigen naam aanvroeg en deze uitvindingen exploiteerden.

 

De al eerder genoemde participant Emanuel Byrck speelde zo'n de rol als promotor. Een andere promotor van Luder Ottersen en Theobald van Hoochsteden was mr. Jacob de Sille, advocaat-fiscaal van de Generaliteit, woonachtig in Den Haag. Hij interesseerde zich voor hun uitvindingen, vermeld in het octrooi, dat zij op 25 april 1642 verwierven, en verleende hun geldelijke steun om hun inventie te vervolmaken. Dit zonder dat hij rechtstreeks kapitaal stak in de bedijking van het Noordeindermeer en optrad als participant hierin. Opmerkelijk is dat Reusner von Neustadt, die blijkbaar mede bij de exploitatie van de uitvinding betrokken was en Luder Ottersen en Theobald van Hoochsteden, op 11 december 1642, gedrieën aan mr. de Sille , 6,5 % van alle voordelen afstonden als hun molen bij de droogmaking van het Noordeindermeer in werking zou worden gesteld. Dit om 'om zekere aengename redenen ende goede diensten en vrundtschappen"15) In mei 1643 cedeerden de beide laatstgenoemde heren hun octrooi zelfs aan De Sille.16)

 

 

 

Warnard van der Wel

Bij de bedijking van het Noordeindermeer was tenslotte betrokken een zekere jonkheer Warnard van der Wel, vermoedelijk evenals De Sille in de rol van promotor. Of hij optrad als kapitaalverschaffer is ons niet bekend. Zeker is, dat hij bij de verkaveling geen grond in de Noordeindermeer kreeg en dat hij tijdelijk belast is geweest met het toezicht op de technische uitvoering van de droogmaking. Geschillen met de medebedijkers waren voor hem aanleiding zich uit deze functie terug te trekken.

 

Warnard van der Wel heeft enige jaren later het initiatief genomen tot het droogmaken van de Wildevenen. Daarom schenken wij aan zijn afkomst en persoonlijkheid meer aandacht dan aan de andere bedijkers. Hij stamde uit Delft. Sinds eeuwen was in die stad naast de lakenweverij de bierbrouwerij het voornaamste bestaansmiddel van de burgerij. Warnards grootvader Cornelis Lambrechtsz van der Wel bezat er in 1600 de brouwerij "De Hantbooch" annex woning aan de Koornmarkt, waarin zich acht haardsteden, twee brouwketels en twee eesten of moutvloeren bevonden. Hij verkocht deze middelgrote brouwerij in 1612. Hij was reeds vóór 1600 een man, die enig vermogen bezat en waarvoor hij belegging zocht. In 1592 en 1594 kocht hij grond in de nabijheid van Delft, die had toebehoord aan het naburige klooster Koningshof, waarvan de bezittingen in deze jaren door de Gereformeerde overheid werden verkocht. Ook is hij burgemeester van Delft geweest.17)

 

Het kwam in die tijd vaker voor dat, van de kinderen van rijk geworden kooplieden en fabrikanten, slechts enkelen in het bedrijf van hun vader bleven en dat de overigen andere beroepen kozen. Ettelijke zoons van 17e eeuwse Hollandse kooplieden en industriëlen wijdden zich uitsluitend aan het ambtelijk leven: zij werden regent of kozen een of ficiersloopbaan en zij trachtten door aankoop van grond met een heerlijke titel of door academische studie zich aan te sluiten bij het reeds bestaande patriciaat. Deze ontwikkeling ziet men ook in de familie Van der Wel. De zoon van de brouwer en het vroedschapslid Cornelis Lambrechtsz, naar zijn grootvader Lambrecht of Lambert genoemd, werd namelijk officier.

 

In 1600 kreeg Lambrecht een aanstelling als ritmeester over een compagnie kurassiers in dienst der Republiek.18) Later lag hij in garnizoen in de grensvesting Bergen op Zoom, welke hij hielp verdedigen tegen de Spaanse veldheer Spinola tijdens het bekende beleg in 1622. In 1637 werd hij op last van de Raden van State ontslagen, omdat hij "innocent ende onbequaem tot denselven dienst" was geworden.19) Bij zijn ontslag schijnt hij echter titulair de rang van generaal te hebben ontvangen. In Bergen op Zoom heeft ritmeester Van der Wel zijn gade Katharina du Bois gevonden en is zijn zoon Warnard opgegroeid. In deze stad diende ook een cornet, De Cocquiel genaamd, afkomstig uit Ijperen. Zijn dochter Constantia werd de bruid van Warnard van der Wel. Op 10 april 1622 vond te Delft hun kerkelijk huwelijk plaats.

 

Warnard van der Wel, die zich toen al jonkheer noemde, volgde aanvankelijk de loopbaan van zijn vader en werd ritmeester in het Staatse leger, maar later trok hij zich terug uit de actieve dienst en vestigde hij zich in Den Haag. Het vermogen, door zijn grootvader als brouwer bijeengebracht, stelde hem in staat deel te nemen in verschillende ondernemingen, o.a. droogmakingen, die destijds bij zakenlieden en beleggers in het middelpunt der belangstelling stonden. Hij meende daarbij succes te kunnen behalen met het toepassen van een paar uitvindingen. Niets wijst erop, dat deze uitvindingen ontsproten zijn aan zijn eigen brein. Waarschijnlijk trad hij op als promotor van de inventies van andere personen. De ondernemingen, die deze uitvindingen moesten exploiteren, zijn mislukt en hebben hem zijn fortuin en zijn positie in de maatschappij gekost.

 

 

 

Consessie en belastingvrijdom

De voorgeschiedenis van de droogmaking van het Noordeindermeer en het Sapmeertje gaat terug tot het jaar 1631, toen de Staten van Holland op 26 juli enige kleine "braeckskens" of binnenwateren in de ban van Graft verkochten aan een zekere Johan van Mansdale en zijn consorten, met het alleenrecht of octrooi die wateren droog te maken 20). In plaats van octrooi spreken wij tegenwoordig van een concessie die door de overheid is toegestaan. Als "souverein" verleende zij aan particulieren bepaalde gunsten of vrijheden, meestal tegen een vergoeding, "aanstonds of naderhand te presteren".

 

Stonden de Staten van Holland octrooi toe voor het droogmaken van een plas, dan bedongen zij gewoonlijk een "recognitie" (uitspraak over de belasting) van de gewonnen cultuurgrond. Te betalen na een zeker aantal jaren na de verkaveling, als de drooggevallen gronden vruchten gingen dragen. Zij stonden in de regel voor de duur van de droogmaking en enkele jaren daarop volgende, aan de bedijkers voordelen toe, merendeels belastingvrijdom. Dit om hun een premie te geven voor het risico en de moeite, "welke dezen zich voor de bedijking getroostten". Het octrooi voor de droogmaking van het Noordeindermeer gold voor vier jaar. Na afloop daarvan was er echter nog niets gebeurd.

 

Enige jaren later nam Barend Coenders van Helpen het octrooi over, richtte een compagnie op, waarvan wij de participanten boven leerden kennen, en begon in 1644 met het droogmakingswerk. Zijn verzuim vernieuwing van het verlopen octrooi aan te vragen, berokkende hem in 1650 moeilijkheden, maar in het daarop volgende jaar wist hij bij de Staten van Holland te bereiken, dat deze zijn octrooi bevestigden.21) Het zou ons te ver voeren de gang van zaken bij de droogmaking van het Noordeindermeer en het Sapmeertje volledig te beschrijven. Wij gaan slechts in op enkele conflicten, die zich daarbij voordeden, omdat zij van belang zijn voor de geschiedenis van de Wildevenen.

 

Een belangrijke oorzaak van onenigheid tussen de bedijkers, was het tegenvallen van de kosten van de droogmaking. Dit, zoals eerder vermeld, wegens het riskante karakter van dit werk. Waarschijnlijk zijn de prestaties van de verbeterde watermolen van Luder Ottersen en Theobald van Hoochsteden tegengevallen. Een aanwijzing daarvoor is het feit, dat dit type molen in ons land geen ingang heeft gevonden. Het eerste conflict tussen de droogmakers rees door de overeenkomst, waarin Warnard van der Wel en Luder Ottersen gezamenlijk een zekere Berend en Ariaen Kraeyvangers, vader en zoon, woonachtig te Amsterdam, aanstelden tot „secretarissen of directeuren" (technisch leider) van de droogmaking.22)

 

 

Conflicten

Reeds bij de aanvang van de werkzaamheden in 1644 kwam Van der Wel tot de onaangename ontdekking, dat de Kraeyvangers contracten hadden gesloten, die strekten tot voordeel van Luder Ottersen en tot nadeel van Van der Wel. Dit natuurlijk zonder de compagnie van bedijkers er in te kennen. Daarom ontsloeg Van der Wel de Kraeyvangers uit de dienst der compagnie. Het is echter twijfelachtig of hij daarmee zijn belangen heeft kunnen redden. Deze ruzie schijnt namelijk voor hem aanleiding te zijn geweest zich uit de onderneming terug te trekken. In elk geval heeft hij daarin sindsdien geen actieve rol meer gespeeld, al vinden wij zijn naam meermalen als getuige vermeld onder acten, die betrekking hebben op de droogmaking van het Noordeindermeer. Ongetwijfeld is hij dit werk toch blijven volgen.

 

De kapitaalkrachtigste onder de bedijkers was ongetwijfeld Coenders van Helpen, bij wie sommige participanten aanklopten om krediet, teneinde hun financiële verplichtingen jegens de compagnie na te komen. Hij leende geld aan Luder Ottersen en Van Hoochsteden, de twee uitvinders, die waarschijnlijk rijker aan technisch vernuft dan aan kapitaal waren.23) Deelname in droogmakingen was in de 17e eeuw een lokkende speculatie en verleidde mensen tot het lenen van geld. Als de kosten van het werk later tegenvielen en zij hun aandeel in de compagnie niet wilden verliezen, moesten zij op hun aandeel nieuwe stortingen doen en daarvoor weer geld lenen. Ernstige financiële moeilijkheden deden zich voor hen op de duur meermalen voor, zoals blijkt uit het wedervaren van verscheidene van de hierboven genoemde bedijkers.

 

Het tweede conflict, dat in 1648 uitbrak, rees dan ook tussen Coenders van Helpen als schuldeiser enerzijds en Luder Ottersen, Van Hoochsteden en Reusner von Neustadt als schuldenaren anderzijds. De laatstgenoemde stond, gelijk wij reeds eerder vermeldden, in nauwe verstandhouding tot de twee uitvinders. De aanleiding tot dit geschil zal vermoedelijk zijn geweest, dat de drie schuldenaren niet aan hun financiële verplichtingen jegens Coenders van Helpen konden voldoen. Zij hun kavels in de pas drooggevallen Noordeindermeer reeds verhypothekeerd, maar Coenders van Helpen wilde hun niet nog meer geld voor schieten.24)

 

Het derde geschil, waarvan de oorzaak niet echt duidelijk is, ontstond daarna tussen Luder Ottersen enerzijds en Van Hoochsteden Reusner von Neustadt anderzijds.25) Het is niet vreemd, dat deze mensen, die samen in het nauw worden gedreven, elkaar verwijten gaan doen en onenigheid krijgen. Dit is mogelijk ook het geval geweest met dit drietal. Hun onderling geschil schijnt een einde te hebben gemaakt aan de samenwerking tussen Luder Ottersen en Van Hoochsteden. Later staan de octrooien, die hun uitvindingen beschermen, alleen op naam van Theobald van Hoochsteden. Luder Ottersen heeft hierbij vermoedelijk aan het kortste eind getrokken, zoals wij straks zullen zien.

 

Om de droogmaking van het Noordeindermeer te voltooien verleende Coenders van Helpen in 1651 aan zijn medeparticipant Emanuel Byrck procuratie of volmacht om f 12.000,--  te negotiëren, d.w.z. te lenen. Dit door het geven van hypotheek op de landen in de Noordeindermeer.26) De andere bedijkers lieten zich echter niet onbetuigd en machtigden Andreas van Havervelt om op zekere kavels in de Noordeindermeer, hun blijkbaar toekomende, geld te negotiëren. Dit ondanks het beslag dat op deze landen was gelegd. Zij stelden daarbij de voorwaarde, dat de opgenomen gelden in handen van Byrck moesten worden gesteld om de droogmaking te helpen voltooien. Coenders trok daarop zijn procuratie aan Byrck in met het motief, dat hij had vernomen, dat laatstgenoemde gelden in feite moesten dienen voor de betaling van de schulden van Reusner von Neustadt. Deze kleine episode brengt aan het licht hoe koel de verstandhouding tussen de droogmakers was geworden.27)

 

Ondanks deze geschillen hebben de partijen er toch naar gestreefd het werk voortgang te doen vinden, en op 5 april 1651 vond de verkaveling van de drooggemalen Noordeindermeer plaats.28) De kavels werden bij loting toegewezen aan de volgende participanten: Coenders van Helpen, Emanuel Byrck, Luder Ottersen, Theobald van Hoochsteden en Andreas van Havervelt, de laatste als gemachtigde van Reusner von Neustadt.29) Voor de verkaveling werd de Noordeindermeer verdeeld in vijf ongeveer even grote blokken, gemerkt A, B, C, D en E, elk van zeven kavels en elk ruim 28.000 vierkante roeden Hondsbosser mate groot. Wat de ene participant aan grond meer kreeg dan de ander, werd onderling in geld verrekend. Hiermede was deze veelbewogen onderneming nog niet afgelopen.

 

Het eigendomsrecht van sommige participanten, die diep in de schulden staken, op de gronden in de Noordeindermeer reikte niet ver. Twee van hen legden enige tijd later het loodje. In december 1652 en januari 1653 vinden wij Andreas van Havervelt in gijzeling te Amsterdam, waarschijnlijk als gevolg van zijn nauwe betrekking tot de bedijkers van het Noordeindermeer en van zijn schulden ten behoeve van deze bedijking aangegaan.30) Nadere bijzonderheden over zijn gijzeling ontbreken.

 

En in november 1654 treffen wij Luder Ottersen aan in de Voorpoort in Den Haag, beter bekend als de Gevangenpoort, ook wegens schulden gegijzeld.31) Zij die hem daar in gijzeling hielden, waren vermoedelijk Theobald van Hoochsteden en Reusner von Neustadt. Ottersen wist zijn ontslag uit de detentie alleen te bewerken door de deurwaarder, die beslag op zijn eigendommen had gelegd, op te dragen Coenders van Helpen te sommeren tot verkoop van drooggemaakte gronden in de Noordeindermeer, die Ottersen toekwamen. Hierdoor konden zijn schulden worden voldaan. Verder moest hij de kosten van zijn onvrijwillig verblijf in de gevangenis betalen.

 

Hiermee zeggen wij het Noordeindermeer vaarwel en keren wij terug naar de Wildevenen op het tijdstip, waarop een begin werd gemaakt met de droogmaking.

 

 Voetnoten

1) Zie voor het karakter van Coenders van Helpen Gemeente-archief Den Haag, notariëel archief inventarisno. 150 fo 57 en 58 (de wijze van citeren van notariële acten is in het vervolg 150/57, 58), voor zijn inpolderingen in Zeeuws-Vlaanderen Gemeente-archief Den Haag, 130/155, 157, 159, 164.

2) Ten Raa en De Bas, Het Staatsche leger, deel 4, blz. 207.

3) Gemeente-archief Den Haag, o.a. 174/54, 479/61, 80/460, 100/426.

4) Gemeente-archief Den Haag, 100/70, 289, 426; 80/460.

5) In Zweden zette Reusner von Neustadt verschillende ondernemingen op touw. Hij trachtte o.m. de afzet van zout te monopoliseren en verwierf met dat doel op 21 mei 1646 een octrooi van het zoutwezen van de Zweedse kroon; zie Gemeente-archief Den Haag, 204/141. Teruggekeerd uit Zweden bleef Reusner von Neustadt zich actief op uiteenlopend gebied bewegen. In 1669 deed hij weer van zich spreken. Hij liet toen de Staten-Generaal weten, dat hij met een kanon op 3500 pas afstand „deselve macht ende force soude tonnen doen om bressen te maecken ende soo verre te bereycken als ander canon hier te lande schiet op 15 á 16 hondert passen, schoon op een ende deselve maet geladen"; zie Ten Raa en De Bas. Het Staatsche leger, deel 5, blz. 511. In juni 1669 werd in het bijzijn van de Gecommitteerden van de Raden van State op het Scheveningse strand een wedstrijd gehouden tussen een gewoon stuk geschut en een kanon, dat werd bediend door Reusner von Neustadt en blijkbaar zijn vinding belichaamde. Volgens ooggetuigen had het laatste kanon aanzienlijk meer draagwijdte dan het eerste; zie Gemeente-archief Den Haag, 492/326. Welke resultaten hij verder op het gebied van artillerie heeft bereikt is ons niet bekend.

6) Doorman, Octrooien voor uitvindingen in de Nederlanden uit de 16e-18e eeuw, no. G 403, blz. 210, bevat een octrooi van Luder Ottersen en Theobald van Hoochsteden, dat spreekt van een "wintvloger", wat een Duitse schrijfwijze verraadt.

7) Zie het octrooi vermeld in Doorman, noot 6 hiervoor.

8) Zie het octrooi vermeld in Doorman, noot 6 hiervoor.

9) Doorman, Octrooien voor uitvindingen in de Nederlanden uit de 16e-18e eeuw, blz. 64.

10) Doorman, blz. 52.

11) Doorman, no. G 424, blz. 216.

12) Zie het octrooi genoemd in noot 11. De in dit octrooi vermelde uitvindingen zijn:

1. een waterkolom of waterzuil, rond, vier-, zes- of achtkant, die zich om zijn as wentelt of die stilstaat, terwijl het binnenwerk wentelt (hierin menen wij de tonmolen respectievelijk vijzelmolen te herkennen);

2. een krukas met een aantal bochten, tot zeven toe (deze as moet vermoedelijk dienen om het water door pompen omhoog te brengen);

3. een licht en klein strijkrad, dat het water enkele malen hoger opvoert dan het (rad) zelf hoog is; de octroyanten achten deze inventie zeer geschikt om plassen uit te malen, polders droog te leggen en steden te voorzien van vers bronwater. Voor deze stedelijke watervoorziening zijn echter ook waterleidingen nodig. Daaraan hebben de uitvinders eveneens gedacht. Zij hebben een boor geconstrueerd om boomstammen uit te boren tot buizen, en een constructie bedacht om die buizen zo vernuftig in elkaar te passen, dat ze onderling verbonden niet lekken; dat zijn de vierde en de vijfde uitvinding.

6. Tenslotte hebben zij een betere molenas vervaardigd, waarvan het hoofd, aan hetwelk de roeden der wieken bevestigd zijn, niet van de molenas af kan draaien, alsmede sterkere molenroeden en duurzamere kamraderen dan tot dusver in gebruik waren. In hoeverre deze uitvindingen toepassing hebben gevonden is ons niet bekend. Wij maken verder nog melding van het octrooi, dat Theobald van Hoochsteden op 26 februari 1666 verwierf en dat in hoofdzaak reeds eerder door ons vermelde uitvindingen omvat; zie Doorman, Octrooien voor uitvindingen in de Nederlanden uit de 16e-18e eeuw, no. G 490, blz. 237. Over Van Hoochsteden is tenslotte nog bekend, dat hij hetzij voor hetzij na de droogmaking van het Noordeindermeer, enige jaren vóór 1658 in Koerland in het bijzijn van enige Nederlandse officieren een „instrument'. heeft gedemonstreerd, dat diende om een bergwerk, waarin een der officieren financieel geïnteresseerd was, droog te maken. Deze demonstratie liep uit op een mislukking; zie Gemeente-archief Den Haag, 270/449.

13) Doorman, no. G 436, blz. 221.

14) Bekende artsen uit de 18e eeuw die zich op wetenschappelijk gebied buiten de geneeskunde grote naam verwierven, waren o.a. Albrecht Thaer, die de vader van de moderne landbouwwetenschap wordt genoemd, en Quesnay, de stichter van de school der physiocraten, voorlopers van de moderne economische wetenschap. De apotheker Marggraf in Pruisen was de eerste, die in de 18e eeuw uit beetwortelen suiker wist te bereiden.

15) Gemeente-archief Den Haag, 205/148 en 149.

16) Reeds eerder had De Sille bij het uitwerken en vervolmaken van de uitvinding van Ottersen en Van Hoochsteden gebruik gemaakt van de diensten van een zekere Adriaen van Rattermont te Dordrecht, meester van de Munt aldaar, aan wie hij op zijn beurt in juni 1643 6'% van de profijten van de bovengenoemde uitvinding beloofde; zie Gemeente-archief Den Haag, 19/560. De rol van promotor, die De Sille wilde spelen, blijkt duidelijk uit een overeenkomst, die hij op 7 en 11 mei 1643 sloot met Luder Ottersen en Th. van Hoochsteden (zie Gemeente-archief Leiden, notaris Jac. Fransz van Merwen, inv.no. 541, 7 en 11 mei 1643). De Sille bedong het recht om binnen de kring van een half uur gaans rondom zijn woonplaats Den Haag een molen op te richten volgens het octrooi van 25 april 1642, en het recht op hun voorlichting en hulp bij het bouwen of herstellen van de molen. De uitvinders verplichtten zich binnen die kring geen andere soortgelijke molens te bouwen. De Sille beloofde hun daarvoor ieder 16 % van de winst, die het bedrijf van zijn molen zou opleveren.

17) Gemeente-archief Delft, Alfabet. klapper percelen en huwelijken i.v. Lambrecht van der Wel.

18) Ten Raa en De Bas, Het Staatsche leger, deel 3, blz. 154, 216, 232 en 237.

19) Ten Raa en De Bas, deel 4, blz. 194.

20) Rijksarchief Haarlem, Octrooien van de nieuw bedijkte meren 1612-1667, no 21; octrooi van de Staten van Holland dd. 26 juli 1631.

21) Zie noot 20, t.a.p., octrooi no 52. Op 3 maart 1650 verleenden de Staten van Holland aan een zekere Mieuws Cornelisz van Graft octrooi tot droogmaking van het Zuidermeer bij de Beemster, alsmede van het Noordeindermeer, met de overweging, dat het octrooi aan Jan van Mansdale c.s. verleend, reeds lang verlopen was. Onmiddellijk wendde Coenders van Helpen zich tot de Staten met de mededeling, dat hij reeds sinds 1644 bezig was met de bedijking van het Noordeindermeer en het Sapmeertje. Hij bracht naar voren, dat hij zich tot dit werk had laten verleiden door de commies der financiën van de provincie Holland, Jan van den Brouck — overleden tussen 1648 en 1650 —, die had voorgegeven octrooi tot bedijking van het Noordeindermeer en enige omliggende wateren te hebben; — mogelijk is deze Van den Brouck een compagnon of rechtsopvolger van Jan van Mansdale geweest. De voorspiegelingen van Jan van den Brouck, volgens wie deze droogmaking met geringe kosten kon plaats vinden, waren volgens Coenders echter onjuist gebleken en hij deelde mede, dat hij gaarne van de bedijking afstand wilde doen tegen vergoeding van de hoog opgelopen kosten, al ware het met verlies van enige duizenden guldens. Toch vroeg hij de Staten hem in het bezit van het octrooi tot droogmaking te bevestigen, een bewijs dat hij uiteindelijk toch wel baten van dit werk verwachtte. Dit octrooi is hem zonder beperking op 6 februari 1651 verleend.

22) Gemeente-archief Den Haag, 43/240.

23) Gemeente-archief Den Haag, 22/43.

24) Gemeente-archief Den Haag, 21/354

25) Gemeente-archief Den Haag, 205/150.

26) Gemeente-archief Den Haag, 318a/4,

27) In dit warnet van geschillen mengde zich bovendien mr Jacob de Sille. Het proces tussen Coenders van Helpen en het drietal Ottersen, Van Hoochsteden en Reusner von Neustadt maakte hem ongerust, dat hij achter het net zou vissen en dat de partij, die aan het langste eind zou trekken, hem niets van zijn bedongen voordelen zou uitkeren. In 1648 vorderde hij daarom van Ottersen en Van Hoochsteden bepaalde prestaties. Hun antwoorden waren in schijn tegemoetkomend. Zij betuigden hun goede wil en tevens hun onmacht om hun beloften jegens De Sille in de huidige situatie, nu zij in proces waren gewikkeld niet elkaar en met Coenders van Helpen, na te komen. Zij boden elk hun kavels in het drooggemaakte Noordeindermeer aan De Sille aan als zekerheid voor zijn vorderingen op hen (Gemeente-archief Den Haag, 21/354).

28) Rijksarchief Haarlem, Schepenboek Zuid-Schermer, inv.no 6328, blz. 237.

29) Met Reusner von Neustadt, die toen nog in Zweden vertoefde, hadden zijn schuldeisers De Sille, Van Swaanswijck en Francois van der Lee, rentmeester-generaal van Kennemerland, nog een rekening te vereffenen. Zij hadden een vordering op hem, die dateerde van 1646, waarvoor hij de hem aan te kavelen landen in de drooggemaakte Noordeindermeer als zekerheid had verbonden. Zij verkregen van het Hof van Holland een acte van willige condemnatie en maakten zich op 16 juli 1651 op de destijds voorgeschreven wijze door gras- en aardroering ter plaatse eigenaar van de gronden, die Reusner von Neustadt in de nieuwe dijkage toekwamen (Rijks-archief Haarlem, Schepenboek Zuid-Schermer, inv.no 6328, blz. 59).

30) Gemeente-archief Den Haag, 298/176

31) Gemeente-archief Den Haag, 141/328-329.