Leven en bedrijf in de drooggemaakte Wildevenen

15. 12. 19
posted by: Jan de Jong
Hits: 182

De boerderijen

Hoe de boeren in de Moerkapelse Honderd Morgen leefden en werkten, welke gewassen zij teelden en welke landbouwmethoden zij toepasten, daarover is weinig opgetekend en alleen uit pachtcontracten, uit die tijd, kunnen we wat informatie krijgen. Het type boerderij, dat in deze droogmakerij regel was en nog domineert, is het gewone Zuid-Hollandse type, aangepast aan het gemengde akkerbouw- en veeteeltbedrijf. Vooraan bij de weg bevindt zich het woonhuis, daarachter onder hetzelfde dak de lange schuur met de veestallen en opslagruimte voor het gewas, dat in de winter op de dorsvloer met de hand werd gedorsen. Daarnaast trof men soms nog een of meer schuren aan voor bedrijfsdoeleinden. Het hooi werd niet in schuren opgeslagen, maar in de karakteristieke "bargen", bestaande uit een verticaal beweegbare kap, die gesteund wordt door vier of meer staande roeden.

 

Er is in de Wildevenen intussen één merkwaardige uitzondering op het Zuid-Hollandse type boerderij, namelijk een West-Friese stelphoeve, de Stolpenburg geheten, staande aan de Herenweg.1) Het oorspronkelijke grondplan van deze hoeve is niet rechthoekig, zoals bij de Zuid-Hollandse, maar vierkant. De pioniers, die de droogmakerijen in cultuur brachten, kwamen vaak uit veraf gelegen plaatsen, en het is zeer goed mogelijk, dat de man, die de Stolpenburg liet bouwen, afkomstig was uit Noord-Holland. In welk jaar deze boerderij gebouwd is en door wie, is echter niet bekend.

 

Van de verbouwde gewassen waren de belangrijkste tarwe, gerst, haver, erwten, bonen en vlas. Uit bepalingen in de pachtcontracten blijkt de nauwe organische band, die er bestond tussen de akkerbouw en de veeteelt in het boerenbedrijf. In die tijd vulden zij elkaar aan en steunden elkaar. Het doel van de pachtovereenkomst was namelijk ook het voorkomen, dat de vruchtbaarheid van het verpachte land tijdens de duur van de pacht zou verminderen door een min of meer gematigde vorm van roofbouw.

 

 

Beperkte vrijheid in bedrijfsvoering

Daarom werd de pachter in de vrije uitoefening van zijn bedrijf beperkt. In de pachtcontracten, die van twee tot zeven jaar duurden, zijn vaak allerlei bepalingen te vinden. Zo mocht de huurder of pachter zijn land niet onderverhuren zonder toestemming van de landeigenaar op straffe van onmiddellijke beëindiging van de pacht. Hij mocht ook geen weiland scheuren om tot bouwland te maken of aarde van een perceel weghalen zonder toestemming van de verpachter. Het hooi en andere veevoer, dat op de gepachte grond was geoogst, moesten "op de woning" op de boerderij van de pachter worden verbruikt. Ze mochten dus niet worden verkocht of weggevoerd. Op deze manier kwam mest die werd verkregen was van het vee op termijn weer op het eigen land. Het stro en de stoppels van het graan moesten op het bouwland worden gelaten en onder worden geploegd, en jaarlijks was de boer verplicht er een bepaald aantal karrenvrachten mest op te brengen. Hieruit blijkt, dat in die tijd, waarin de kunstmest nog onbekend was, de stalmest een schaars en gewaardeerd artikel was.

 

 

In 1629 stonden er 41 woonhuizen

De Wildevenen vormen net als de aangrenzende latere droogmakerijen in midden Zuid-Holland een typische landbouwstreek, die slechts een betrekkelijk klein aantal mensen een bestaan kan verschaffen. Het aantal huizen en inwoners, voor een deel in het dorpje Moerkapelle of verspreid over de polder, schijnt in de twee eeuwen na de droogmaking van de Wildevenen weinig te zijn toegenomen.

 

Belangrijk voor de kennis van het platteland van Holland in de 17e en 18e eeuw zijn de "Redressen van Verponding" van 1632 en 1732, die een soort van kadaster vormen. Welnu, voor 1629, enkele jaren vóór de droogmaking, geeft het eerste Redres op, dat in de Wildevenen - Moerkapelle meegerekend - 70 gebouwde panden staan, te weten 41 woonhuizen, de rest "keten", d.z. schuren en hokken. De huizen, waarin destijds de arme, in aantal teruglopende bevolking van veenarbeiders en turfschippers woonde, waren vermoedelijk weinig aanzienlijk. Na de droogmaking veranderde de armelijke toestand der bevolking echter, zowel in het dorp, waar een nieuwe, forse kerk verrees, als in de polder, waar verscheidene flinke, niet onaantrekkelijke boerderijen werden gebouwd.

 

Het Redres van 1732 deelt mee, dat in 1731 in het ambacht Moerkapelle en Wildevenen 61 woonhuizen stonden, ongeacht de boerenschuren en andere bergplaatsen.2) Als we dat getal vergelijken met de 41 in 1629, blijkt dat na de droogmaking de bevolking dus zelfs niet te zijn verdubbeld.

 

 

In 1975 stonden er 61 woonhuizen

Het aantal woningen en bijgevolg ook het aantal inwoners heeft zich ook in de 18e eeuw niet belangrijk gewijzigd, want de Stad- en Dorpbeschrijver Ollefen en Bakker vermeldt, dat in 1795 zich in het ambacht 61 huizen bevonden - waaronder 7 door molenaars bewoonde watermolens -, hetzelfde aantal als in 1731. Het getal inwoners bedroeg in dat jaar 314. Moerkapelle was dus een bescheiden dorp. Dezelfde schrijver zegt ook: "Onder de huizen zyn geene welke iets uitmuntends hebben". Als om deze weinig waarderende opmerking goed te maken weidt hij daarna uit over de kerk, die statig boven het dorpje uitrijst en waarvan hij de solide bouw en inrichting prijst.3)

 

Dat de Wildevenen ondanks de hoge polderlasten viermaal zijn drooggemaakt, is het bewijs, dat de opbrengsten van deze vruchtbare polder de kosten en lasten wel vergoedden. De financiële toestand van de polder is na de vierde droogmaking dan ook geleidelijk beter geworden. In een brief gedateerd 1766 schreven de hoofdingelanden: „Vroeger en bij inbreuk is de polder wel met kapitalen gechargeerd geweest, maar sedert vele jaren niet, daar de kapitalen door zuinige oeconomie en extra zware omslagen sinds lang afgelost zijn".4)

 

Welvaart

Hoe de welstand van de pachters was, die ongetwijfeld hoge pachtprijzen moesten betalen, valt moeilijk te bepalen. In de 18e eeuw werd de boerenstand enige malen zwaar getroffen door de runderpest, maar na de oorlog met Engeland in 1795, die de overzeese handel bemoeilijkte, gingen de Nederlandse boeren een betere tijd tegemoet. Dit kwam ook omdat zij beschermd werden tegen de concurrentie van buitenlandse landbouwproducten.

 

Ook de boeren in de Wildevenen hebben waarschijnlijk van de voor hen gunstige conjunctuur in de overigens zo benarde Franse tijd geprofiteerd. De Stad- en Dorpbeschrijver berichtte in 1797 over het ambacht en dorp van de Wildevenen, dat zij gelegen zijn "in een goed en welgelegen oord, voorzien van schoone vruchtgeevende wei- en bouwlanden, zynde alom zeer schoon en gemaklijk voor den bewooner, met wateren en wel onderhouden wegen doorsneeden".5) Deze woorden schetsen een idyllisch beeld van een welvarende polder, wat natuurlijk ook niet helemaal naar waarheid zal zijn geweest.

 

 

Later kwam de grond meer in eigendom van de boeren

Ook in de Wildevenen ziet men omstreeks de tijd, die begon in de 18e eeuw en voortduurde in de 19e, een belangrijke verschuiving. De grond werd meer en meer eigendom werd van de boeren, doordat de stedelijke grondbezitters hun land verkochten. De grondbezitters werden hiertoe gedwongen door de achteruitgang van handel en welstand na 1795, maar ook omdat ze werden aangelokt door andere beleggingen, bijv. effecten.6)

 

 

 

Landheren in de 17e  en 18e eeuw

De drooggemaakte polder diende de heren bedijkers in de 17e eeuw niet alleen als geldbelegging en speculatie-object, maar ook om hun genoegens en verpozing van hun ingespannen arbeid in het zakenleven en in de bestuurscolleges te verschaffen. Zij of hun opvolgers lieten in de Honderd Morgen kloeke hofsteden bouwen, welke zij met het omringende land verhuurden aan pachters.

 

In de 18e eeuw, toen de rijke zoons van de zuinige, sober levende en hard werkende 17e eeuwse kooplieden en regenten, het geld gemakkelijker lieten rollen, bouwden zij buiten de steden buitenplaatsen met theekoepels, volières en siertuinen met gladgeschoren heggen en gazons. In de zomer trokken zij daar in een eigen fraaie karos met hun gezin en in livrei gestoken personeel voor enige weken heen. In de 17e eeuw moest het geld voor deze kostbare levenswijze nog grotendeels worden verdiend en overheerste de oudvaderlandse eenvoud.

 

Toch ontstond reeds in deze tijd de behoefte om de dagelijkse beslommeringen in het bedompte koopmanskantoor en op de beurs van tijd tot tijd te ontvluchten, "pluimen aan te trekken", zoals Vondel in zijn "Wiltzangk" dichtte, de "kommerzieke beurs" te vergeten en te genieten van de vredige rust van het buitenleven.

 

In vele pachtcontracten uit die tijd bedong de landeigenaar-verpachter voor zijn gezin het recht om een kamer in de hofstede - soms de "herenkamer" genoemd - te gebruiken en daar van tijd tot tijd te komen logeren. De boerin moest dan voor de gasten koken en de kamer schoonhouden. Ook kreeg de landeigenaar het recht om zijn wagen en paarden in de stal van de pachter onder te brengen. De boer moest zijn paarden voedsel geven en de knecht of de meid van de pachtheer slaapplaats verschaffen. Niet iedere pachtheer hield er echter een eigen koets op na. Daarom vindt men ook wel gestipuleerd (afgesproken), dat de pachter enige malen per jaar de verpachter en diens gezin met een wagen uit de stad moest afhalen en daarheen terugbrengen, en dat hij zijn gasten met de "speelwagen uit spelen zou rijden" tegen genot van vrije kost op het uitgaansdagje.7) Zelfs in het begin van de 20e eeuw ziet men deze oude gewoontes soms nog op het platteland terug.

 

Ook profiteerde de verpachter destijds graag mee van de schaarse primeurs, die de boerderij in het voorjaar leverde. Hij bedong vaak van de pachter de jaarlijkse levering van een of enkele kinnetjes (vaatjes) van de eerste grasboter, die gekarnd werd als de koeien uit de winterstal naar de weide gingen, een vaatje boter in de natijd na de "hondsdagen", een paar vette lammeren, een zeker aantal verse eieren, een paar hammen, als de boer in het najaar zijn varken slachtte, een mals haneboutje of een jonge eend-vogel, gewoonlijk tegen een matige vergoeding.

 

Vondel, die wellicht op een hofstede van een van zijn vrienden en beschermers in de drooggemaakte Beemster te gast is geweest, heeft de gedaanteverwisseling van deze rijke polder van water in land, culminerend in de bouw van een hooggetorende dorpskerk, en de genoegens van de rijke kooplieden-grondeigenaars in dichtregels beschreven.

 

Zijn gedicht op deze droogmakerij zou men zonder bezwaar ook op de Wildevenen kunnen toepassen:

 

„Haer voorhoofts torenkroon kwam door de wolken dringen,

„Gelijk gemeenlijk weelde in hoogheit wellust schept.

„Hier jaegt de winthont 't wilt, hier rijdt de koets uit spelen,

„Men danst, men banketteert in 's koopmans rijke buurt.

„Hier lacht de goude tijd in lieve lustpriëelen,

„Die voor geen oorlog schrickt, noch kiel op klippen stuurt."

 

 

De jacht

Een geliefd vermaak van aanzienlijke heren was destijds de jacht. De Heren Staten waakten er dan ook voor, dat in het toen reeds dicht bevolkte westen van ons land het jachtwild niet werd uitgeroeid en van tijd tot tijd vaardigden zij maatregelen tot instandhouding van het wild uit.8)  De ingelanden van menige polder maakten graag van de gelegenheid gebruik om tijdens de nazomer en herfst met geweer en jachthond hazen of gevederd wild te verschalken.

 

In 1657 richtten de bedijkers van de Wildevenen aan de Staten van Holland een rekest, waarin zij mededeelden dat zij de pas drooggevallen gronden, waarop de eerste veldvruchten waren gezaaid, met wild van haas en patrijs hadden laten bezetten, die door "de bequame gelegentheyt" begonnen te vermeerderen. Ze hadden dus wild uitgezet en de bedijkers verwachten, dat deze dieren zich zou vermenigvuldigen, tenminste, als er voorlopig niet gejaagd werd. De bedijkers vroegen daarom de Staten, iedere jacht binnen de ring der bedijking voor tien jaar te verbieden. Dit verzoek werd toegestaan voor vijf jaar.9) Vijf jaar kon de wildstand dus ongestoord toenemen en teren op de boer. Het valt te betwijfelen, of de boeren, die in de droogmakerij land in pacht hadden, deze vermeerdering van wild, dat voor hen schadelijk ongedierte was, met vreugde zullen hebben begroet, maar hun mening werd door de pachtheren niet gevraagd.

 

 

Heren van stand

De boerenstand was in die tijd politiek onmondig, hij had geen stem in de aristocratische bestuurscolleges van de Republiek. Behalve de jacht smaakten de hoofdingelanden in de Wildevenen ook vreedzamere genoegens. Daniël van Hogendorp bijvoorbeeld liet in het dorp Moerkapelle een hofstede bouwen met een "herenkamertje", bekleed met goudleren behangsel, dat toen nog kort in zwang was en een vrij kostbare luxe vormde. Wij mogen aannemen, dat in de zomer meermalen de koets van de baljuw van Schieland, de heer Van Hogendorp, hem en zijn echtgenote door de Zuid-Hollandse dreven naar zijn hofstede heeft gereden. Waar hij na de ochtendpreek van dominee C. de Wolff in de nieuwe dorpskerk, vanuit zijn herenkamer met goudleren behang onder het genot van een Goudse pijp tabak zijn oog kon laten gaan over de vruchtbare polder. De polder, die was drooggemaakt met hulp van zijn kapitaal en waarin hij ettelijke kavels zijn wettig eigendom mocht noemen.

 

Van Hogendorp verkocht in mei 1665 deze boerderij aan de dorpsschout Andries de Vet, maar hij bedong, dat het "den heer vercooper zal vrystaen, geduerende zyn ampt als hoogbailliu van Schieland eens 's jaers d'heeren schepenen ende mannen van Schieland int voorseyde huys te tracteren ende soo nu en dan met zyne vrunden en zyn familie te komen logeren - edog alles buyten costen van den cooper ofte eygenaer -, alsmede zyn karosse, wagens ende paerden (te) stallen".10)

 

Ook Jan Herrewijn junior, die in de rechten van zijn in 1650 overleden vader als medebedijker en hoofdingeland van de Wildevenen was getreden, heeft zich een eigen hofstede laten bouwen, waarvan het voorste deel mooier is uitgevoerd dan een gewone boerderij, met enige ruime kamers boven een grote kelder, welke bestemd waren voor de eigenaar, als deze met zijn gezin kwam logeren. De hoeve, die de fraaie naam van „Het land van belofte" draagt, staat er thans nog, zoals zij omstreeks 1660 is gebouwd. Zij bevindt zich aan de wat eenzame noordwesthoek van de polder, niet ver van de Hildam, tot aan de tweede Wereldoorlog omringd door hoog geboomte.

 

 

afbeelding9

 

 

Dit huis diende de Haarlemse koopman Herrewijn junior tot buitenverblijf. Om het van de Herenweg af te bereiken moest hij over de noordlandscheiding rijden. Van de hoofdingelanden der Wildevenen kocht hij op 17 mei 1664 het recht van eeuwige erfpacht op de noordlandscheiding van de Herenweg af tot aan zijn hofstede. Hij liet daarop een verharde rijweg aanleggen en die aan weerszijden met elzen beplanten.11) 

 

Een andere bedijker, Laurens van Swaanswijck, liet een boerderij bouwen aan de Achterweg, waarop hij een pachter zette op de bekende voorwaarde: de verpachter behield het gebruiksrecht van het voorste deel van het huis en het recht zijn koets en paarden te stallen en door de pachter te doen verzorgen.

 

 

 

Het vervoer van die tijd: de scheepvaart


Een tijd lang bracht het doorgaande verkeer enige levendigheid in de rustige landbouwstreek in midden Zuid-Holland. Daar was in de eerste plaats de Moerse vaart, die de Wildevenen aan de zuidzijde begrensde. De betekenis van deze vaart als scheepvaartweg schijnt in de loop van de 17e eeuw geleidelijk te zijn verminderd. In de eerste helft van de 17e eeuw werd zij blijkbaar geregeld gebruikt voor het vervoer tussen Rotterdam en Amsterdam, omdat de route door de Rotte en de Lede over de Hildam naar de Oude Rijn, door de Goudse Opstand (1590), in onbruik was geraakt.

 landscheiding

 

 

 

 

De schuiten, die van Rotterdam kwamen, werden in het verlaat bij de Holvoeterbrug in de Moerse vaart geschut en aan het oosteinde van deze vaart over een overtoom getrokken, waarna ze hun weg vervolgden naar de Gouwe. Deze overtoom op de oostlandscheiding was in 1628 gemaakt door Joris Adriaen Donder, wonende te Waddinxveen, op verzoek van de neringdoenden in de omliggende ambachten.12) Naar deze man is de overtoom Donderdam genoemd.

 

 

 

 

 

In 1657 kwamen de burgemeesters van Rotterdam met het ambachtsbestuur van de Wildevenen overeen, dat de markt- of veerschippers, die tussen Rotterdam en Amsterdam voeren, geen tol voor het verlaat zouden behoeven te betalen. Toen in 1663 het verlaat nodig vernieuwd moest worden, kregen de ambachtsbestuurders van de Staten van Holland octrooi voor het heffen van een tol bij het verlaat, waarvan de helft bestemd was voor het onderhoud daarvan en de helft voor de kerk van Moerkapelle.13)

Het bestuur van Rotterdam beriep zich echter op de overeenkomst van 1657 en verkreeg voor de veerschippers verlaging van het toltarief. In 1677 abandonneerde (afstand doen) het ambachtsbestuur het verlaat aan de stad Rotterdam, die het voortaan zou onderhouden. In 1712 werd het verlaat weer eens vernieuwd en bij die gelegenheid verklaarde het ambachtsbestuur nogmaals afstand te doen van het verlaat, en tevens de Moerse vaart op behoorlijke diepte te zullen houden.14)

 

Intussen was de scheepvaart over de Moerse vaart al erg afgenomen. In 1709 wordt meegedeeld, dat het vorig jaar geen gebruik van het verlaat was gemaakt, omdat de schuiten van Amsterdam al enige jaren zelden of nooit meer de Donderdam passeerden. Vermoedelijk vormde de overtoom in deze tijd een te lastig obstakel voor de binnenvaart en nam deze haar route door de Schie en Vliet of door de IJsel en Gouwe naar Amsterdam.

 

 

Het verkeer over land

Ook was er nog het verkeer over land, tussen Den Haag en Gouda, dat over de Holvoeterbrug via de Moerse Zijde het dorp Moerkapelle bereikte en over de Donderdam de Wildevenen verliet, of vice versa, gelijk de schrijver van de "Tegenwoordige Staat der Nederlanden" in 1739 vermeldde.15) Sommige koetsen en wagens hielden stil voor de herberg in het dorp of voor de uitspanning aan de Donderdam om de reizigers en de paarden enige verpozing te gunnen. In de uitspanning verenigden zich bij gelegenheid ook aanzienlijke gezelschappen, bijv. het polderbestuur, voor een gezellig samenzijn en een goede maaltijd. In de 19e eeuw werd het levenstempo gehaaster en gunde men zich weinig of geen tijd meer voor een oponthoud in de landelijke Wildevenen, zodat de uitspanning aan de Donderdam werd afgebroken en verdween.

 

 

Welvaart

Schildert de "Tegenwoordige Staat der Nederlanden", in 1739, ons de sfeer en de welstand in de Honderd Morgen in aangename kleuren, veel meer in mineur is de toon van de Stad- en Dorpbeschrijver van Ollefen en Bakker in 1797, als hij over het dorp Moerkapelle uitweidt. Hij bericht, dat het dorp: „wat vroegeren tijd betreft, een der levendigsten van het Heemraadschap van Schieland mag genoemd worden; thans, helaas! is het echter veel verminderd, en op verre na niet in dien staat, waarin het weleer 't oog van den vreemdeling bekoorde" 16). En verder: „Voor nog maar ruim 40 jaaren was dit een vrij welgesteld plaatsjen, doch is zedert in huizen verminderd, en in welvaart niet zo bloejende; getuigen hiervan de jammerlijke toestand der kerken en armekassen, en het montant der aanbeschreven middelen (vermogensbelastingen), dat geen 3000 gulden per jaar kan ophaalen".17)

 

Waarschijnlijk stelde de Stad- en Dorpbeschrijver zich het verleden van de droogmakerij, zoals hij dat in de Tegenwoordige Staat der Nederlanden beschreven vond, wat al te rooskleurig voor. Vergeleken met zijn tijd, reeds aangestoken door de geest van het pessimisme, die hier in de Franse tijd ontstond door de achteruitgang van de handel. Andere oorzaken voor zijn wat sombere opmerkingen hebben wij namelijk niet kunnen ontdekken. Men kan denken aan de runderpest, die omstreeks het midden van de 18e eeuw grote schade aanrichtte, maar het is nauwelijks denkbaar, dat nog 40 jaar later de Wildevenen gebukt zouden gaan onder de financiële gevolgen van deze epidemie.

 

Zoals al erder opgemerkt, was de Franse tijd voor de landbouw in ons land wel een tijd van gunstige conjunctuur. Omdat de landbouw het hoofdmiddel van bestaan vormde voor de bewoners van de Wildevenen is de somberheid van de Stad- en Dorpbeschrijver niet echt verklaarbaar.

 

 

Joachim Fransz Oudaen

Wij hebben in de geschiedenis van de Wildevenen na de eerste droogmaking geen namen meer genoemd. De pioniers van deze onderneming waren immers overleden, hun landerijen in de droogmakerij waren overgegaan aan erfgenamen, die meestal ver weg woonden en hun belangen in de polder lieten waarnemen door hun rentmeester of notaris. Het heeft daarom weinig zin om hun namen te noemen, ook al waren er aanzienlijke regenten onder. Wij maken een uitzondering voor één hoofdingeland, die omstreeks 1683 zitting in het polderbestuur had. Dat was de bekende Rotterdamse koopman, religieus dichter Joachim Fransz Oudaen. Hoewel bekend als collegiant (vrijzinnig christelijke stroming) stond hij afwijzend tegenover de radicale denkbeelden, die op wijsgerig gebied in zijn tijd opdoken.

"Laat vrij Spinozen en Des-Karten
Verzinken in hun dweeperij"

 

 

 

 

Dirck van der Hoeven

Verder vermelden wij de penningmeesters van het polderbestuur, die het grootste aandeel in het dagelijks beheer over de droogmakerij hadden. Op 12 oktober 1688 werd Dirck van der Hoeven (1649-1714) aangesteld tot penningmeester, nadat hij enige jaren tevoren een buitenplaats en land in de Honderd Morgen had aangekocht. Hij behoorde tot het bekende Rotterdamse koopmansgeslacht van die naam.18) Hij oefende het ambt uit tot zijn dood in 1714. Opvolger werd zijn zoon Mr. Francois van der Hoeven (1685-1765). In 1752 vroeg hij wegens zijn hoge leeftijd de hoofdingelanden verlof zich te laten bijstaan door zijn zoon Dirk Jean van der Hoeven (1724-1799), die mettertijd zijn opvolger werd. Dirck van der Hoeven overlijdt in 1714 in Dordrecht op een leeftijd van 65 jaar; zijn tweede vrouw Maria Hennekijn in 1723 op een leeftijd van 66 jaren. Dirck van der Hoeven was koopman in Dordrecht, later koopman en brouwer in De Vos (1676) te Rotterdam, en woont op de Leuvehaven. Hij baat daarnaast de bleek uit van de lijnbaan in Rotterdam. Deze nering heeft hij van zijn schoonvader Jan Hennekijn overgehouden uit zijn omvangrijke erfenis. Uit dezelfde nalatenschap stamt het buitengoed in Moerkapelle, dat voor de van der Hoevens een oord van ontspanning is.

 

 

Mr. Joan Gerbrand van Mierop

Op 10 september 1773 ging het ambt van penningmeester over op Mr. Joan Gerbrand van Mierop (1733-1807), schepen en oud-burgemeester van Rotterdam, wiens familie tijdens de opstand tegen Spanje uit Antwerpen was verhuisd naar Rotterdam, waar zij door de handel een fortuin verwierf.19) De familie Van Mierop bezat in 1773 reeds ruim 50 jaar land in de Wildevenen. Ook zij bekleedde generaties lang de functie van penningmeester. Op verzoek van Joan G. van Mierop voegde het polderbestuur op 19 mei 1786 hem zijn zoon Isaac Nicolaas Johan (1764-1835) toe als assistent, met de opmerking dat het bestuur daarbij het precedent van de vorige penningmeester Dirk J. van der Hoeven voor ogen had.20) Isaac werd in de 19e eeuw weer opgevolgd door zijn zoon Dirk Lodewijk Willem van Mierop. Nog in de jaren 1930 - 1940 was de familie Van Mierop, toen woonachtig in Dordrecht, grondeigenaar in de Wildevenen.21)

 

 

Tot besluit nog een kleurrijke visie van de 18e eeuwse poëet en klerk Dirk Smits op deze droogmakerij weer. Andere dichters in zijn tijd hadden de Amstel, de Zaan, het IJ en de Vecht bezongen, hij wijdde zijn gladde, sierlijke rijmen aan de Rotte. In zijn lang beschrijvend gedicht „De Rottestroom" bevolkt hij naar de mode des tijds deze landelijke, traagvloeiende waterloop met fabelwezens, stroomgodinnen en waternimfen uit de Griekse mythologie en de Honderd Morgen met dansende elfen. De eerzame Hollandse watermolens aan de Rotte betitelt hij als najaden of bronnimf en en op voorbeeld van Vondels gedicht op de Beemster laat hij de oostenwind molenwieken aanschieten om de Wildevenen droog te malen, die thans trots hun schedels (?) omhoog verheffen! Men luistere maar eens:

 


't Windje slaept, 'k zal 't vaste landt,

Aen den groenen Voorlaenkant,

Nu voor 't weeke water kiezen.

Hier mag 't oog zyn' lust voldoen,

Onbelemmert spelevaren Langs een zee van korenaren,

Of in 't malsche klavergroen

't Witgewolde vee zien dart'len,

Melkers koeyen loom zien treén.

Wie zou zeggen, dat voorheen

Hier de veenvisch plag te sparden?

't Landt, gekwelt met waterzucht,

Kost hier naeuwlyks aémtocht vinden,

Klaegde 't allen vier den winde

Staég met jamm'rend golfgerucht.

Eyndlyk, met 's lands rampgenooten

Teër begaen, heeft de Oostewindt,

Op het noodgeschrei, gezwindt

Molenwieken aengeschoten,

Kreken, meer en poel en plas

Tot een' frisschen beemdt gemalen.

Toen kwam Levenwekker dalen,

Die met een tapyt van gras,

Graen en boterbloemen dekte,

't Geen den lodderigen Mey'

En zyn' trippelenden rey'

Straks een danstooneel verstrekte.

Dus bekoorlijk voor het oog

Wist de Kunst dit landt te bergen,

Beuren ginds de HONDERD MERGEN

Hunne schedels naer omhoog.....

 

Met deze dichterlijke ontboezeming over de Wildevenen - de enige die mij bekend geworden is - besluiten wij ons verhaal van de droogmaking van deze polder.

 

Voetnoten

1) J. Verheul Dzn., De Rotte met de Bleiswijksche meren en de omliggende gemeenten, blz. 157.

2) Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden, deel 7, blz. 31-32.

3) Van Ollefen en Bakker, De Nederlandsche Stad- en Dorpbeschrijver, deel 5, hs. Moercapelle en de Wildevenen.

4) Polderarchief Wildevenen, inv. no 43.

5) Van Ollefen en Bakker, deel 5, aangehaald in noot 3.

6) Belonje, De Schermeer, blz. 55.

7) Gegevens over dit onderwerp zijn ontleend aan de volgende pachtcontracten in het Gemeente-archief Den Haag, 69/264, 405/45, 145/7 en 129/128, alsmede Gemeente-archief Rotterdam, 1297/254.

8) Groot Placaetboeck, deel 1, kolom 1376 en 1380.

9) Polderarchief Wildevenen, inv.no 41.

10) Gemeente-archief Rotterdam, afd. Heerlijkheden, no 299, fo 11; notaris Ph. Basteels 11 juli 1664.

11) Polderarchief Wildevenen, inv.no 28.

12) Archief Schieland, inv.no B 2, fo 14 en 16; D 9, fo 55.

13) Zie blz. 75.

14) Gemeente-archief Rotterdam, afd. Heerlijkheden, Moercapelle en Wildevenen, fo 37; 24 juni 1669, fo 39; 22 jan. 1672, fo 40; 8 okt. 1712. Polderarchief Wildevenen, inv.no 339.

15) Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden, deel 7, blz. 31-32.

16) Van Ollefen en Bakker, deel 5, hs. Moercapelle, blz. 1.

17) Van Ollefen en Bakker, deel 5, hs. Moercapelle, blz. 4.

18) Nederland's Patriciaat, 16e jaarg. 1926, blz. 149.

19) Nederland's Patriciaat, 22e jaarg. 1935—'36, blz. 231.

20) Polderarchief Wildevenen, inv.no 5, resolutiën polderbestuur 19 mei 1786.

21) J. Verheul Dzn., De Rotte met de Bleiswijksche meren en de omliggende gemeenten, blz. 160.