De voortzetting en voltooiing van de droogmakerij der Wildevenen

De doorstart


De overblijvende bedijkers, waarvan nu Daniël van Hogendorp de voornaamste was, sloten op 31 maart 1651, enige dagen na de aankoop van de heerlijkheid en de andere bezittingen van Van der Wel, een nieuwe overeenkomst. Ieders rechten en plichten werden nog eens gestipuleerd. De ondertekenaars gaven nogmaals het voornemen te kennen, dat ze de droogmaking zonder dralen met kracht te willen voortzetten. Zonder kapitaal van derden ging dat echter niet. Zij maakten in het vervolg ruim gebruik van de mogelijkheid, hun alsnog droog te vallen gronden te "bezwaren en geld hierop te negotiëren" (opnieuw verhandelen). Dat was trouwens bij droogmakingen geen uitzondering. Het financiële beheer van de bedijking werd in handen gelegd van Mr Frederik Pauw, een schoonzoon van Laurens van Swaanswijck.1)

 

Nadat de zes molens op de oude Leekade langs het noordelijkste deel van de Rotte waren voltooid en de ringdijk in behoorlijke staat was gebracht, vlotte het uitmalen sneller dan voorheen. Dat uitslaan van water vond in twee etappen plaats. Het voorste deel van de polder, ten westen de oude Calisweg, die voortaan ter ere van de heren bedijkers Herenweg werd genoemd, viel het eerst droog. Op 9 december 1652 accordeerden de bedijkers over de kavelcondities betreffende het voorste deel van de droogmakerij.2)

 

 

Kavelcondities

Als we het octrooi tot droogmaking van een meer beschouwen als de grondwet van de toekomstige droogmakerij, dan zijn de kavelcondities de organieke wetten van het nieuwe land.3) Zij bevatten namelijk allerlei bepalingen voor bescherming en onderhoud van dijken, sloten, molens en andere werken van de polder. De kavelcondities regelden verder de toewijzing van het aantal kavels, waarvoor de onderscheidende participanten hadden ingeschreven. Verschillen in vruchtbaarheid en oppervlakte van de kavels werden vereffend door toewijzing van extra grond of door betaling van geld.

 

Op 1 mei 1655 werd het achterste deel van de Wildevenen, ten oosten van de Herenweg tot aan de oostlandscheiding, verkaveld. Korte tijd daarvoor moet dus ook het oostelijk deel van de polder zijn drooggevallen.4) Met deze verkaveling kan men de droogmaking als voltooid beschouwen. Gewoonlijk werden de kavels bij loting toegewezen. Hiervan bleek ons in de Wildevenen niets. Waarschijnlijk achtten de bedijkers loting overbodig, omdat het aantal kavels klein was en de kwaliteit van de grond weinig uiteen liep.

 

 

De verdeleing van de kavels

Het voorste deel van de drooggevallen polder was, overeenkomstig het akkoord van de bedijkers, gesplitst in 15 kavels en daarvan kreeg:

 

  • Van Hogendorp 4 kavels.
  • Herrewijn 3 kavels.
  • Job van Brederode 2 kavels.
  • Van Swaanswijck 5 kavels.
  • Van Lobbrecht 1 kavel.

 

Het achterste en grootste deel was gesplitst in 18 kavels, daarvan kreeg:

 

  • Van Hogendorp 7 kavels.
  • Van Swaanswijck 5 kavels.
  • Coymans 3 kavels.
  • Van Brederode 2 kavels.
  • Van Lobbrecht 1 kavel.

 

Na de droogmaling werd de polder opgemeten, eerst door de Rotterdamse landmeter Jan Jansz Stampioen, daarna in 1660 nauwkeuriger door de Leidse landmeter Johannes Douw.

 

De laatste stelde de oppervlakte van de droogmaking vast op 586 morgen en 322 vierkante roeden Rijnlandse maat.5)

 

 

Nog even wat rekenwerk

Een Rijnlandse morgen (ca. 8516 vierkante meter) kan worden onderverdeeld in 6 hont, een hont in 100 vierkante roeden, en een roede in 144 vierkante voet. In 1806 werd de Rijnlandse morgen de standaardmaat in het Koninkrijk Holland, totdat in 1810 het metrisch stelsel werd ingevoerd. Toch  gebruiken boeren in de Zuid-Hollandse polders soms nog de term hond. In de praktijk is 7 hond (700 roeden) dan 1 hectare (10.000 vierkante meter). Om het simpel te houden: een hectare wordt dan weer een bunder genoemd. De Rijnlandse roede wordt ook nog als lengtemaat gebruikt en is 3,767358 meter.

 

Warnard van der Wel nam de droogmaking aan voor 320 gulden per morgen.

 

Dat had een opbrengst betekend van 187.520 gulden had kunnen ontvangen als hij zijn afspraken had kunnen nakomen. Vermoedelijk ook een veel te hoge prijs voor zijn medebedijkers/financiers. Want over de kosten van de droogmaking weten we:

 

15.750 voor de grond (dan had je wel je eigen ambacht)

14.000 voor de bedijking

30.000 gulden voor de molens (geschat)

 

 

Pionierswerk


Toen de Wildevenen of de Honderd Morgen droog waren, kwamen de pachters opdagen om percelen grond te huren en de nieuwe, in opdracht van de bedijkers gebouwde boerderijen te betrekken. Op hen rustte het moeizame pionierswerk om de weke, modderige en door onkruid overwoekerde grond in cultuur te brengen. Dat zal geen gemakkelijke taak zijn geweest. De nieuwe bewoners van de grotere droogmakerijen leden in haar eerste jaren onder "grasserende ziekten" (zich snel verbreiden) en "vierige epidemieën", ten gevolge van de slechte hygiënische en woningtoestanden.

 

Tussen de kolonisten op het nieuwe land en de bewoners van het oude land kwamen onderling hooglopende geschillen voor.6) Toch lezen we niets over onenigheid na het droogmaken van de Wildevenen. Waarschijnlijk omdat de droogmaking te klein was voor grote conflicten. De eerste landbouwers in deze bescheiden droogmakerij zullen het vast moeilijk hebben gehad, maar hun aantal was te gering om in brede kring de aandacht te trekken.

 

 

Het bestuur

Een bekende bron van geschil was de verdeling van bestuursbevoegdheden in het nieuwe land. Conflicten tussen het oude ambachtsbestuur en het nieuwe polderbestuur, dat werd samengesteld door en veelal uit de bedijkers. De aanleiding tot zo'n geschil werd  in de Wildevenen echter grotendeels weggenomen, doordat de voornaamste ingeland, Van Hogendorp, ook ambachtsheer was. Hij had er dus belang bij dat eventuele meningsverschillen, tussen ambachts- en polderbestuur, werden voorkomen. De bedijkers hielden hier, al direct na de droogmaking, rekening mee en bakenden in een overeenkomst op 11 november 1656 de bevoegdheden van beide besturen duidelijk af.7)

 

 

Kroosheemraden en hoofdingelanden

Nadrukkelijk bepaalden zij bijvoorbeeld, dat de ambachtsheer of zijn plaatsvervanger: de schout of dorps.. secretaris, geen zeggenschap zou hebben in de keuze van de mensen, die het polderbestuur zouden vormen. Dit waren zogenaamde kroosheemraden, (vertrouwens)mensen die belast waren met het dagelijks toezicht op en het beheer van de dijken, dammen, molens, waterstanden enzovoorts. Deze mensen werden benoemd door de ambachtsheer. In de Wildevenen moest de ambachtsheer kiezen uit dubbeltallen, die werden opgemaakt door de hoofdingelanden (polderbestuur, ingelanden zijn mensen die eigendommen in de polder hebben). Het polderbestuur mocht een kroosheemraad, bij afwezigheid van de ambachtsheer, zo nodig schorsen, maar alleen de heer kon hen ontslaan. Deze regeling schijnt goed te hebben gewerkt.

 

 

Waterstand

Een tweede bron van geschil in nieuwe droogmakerijen was de waterstand en de bemaling van de polder. Wanneer er uitgesproken niveauverschillen binnen de ringdijk bestonden, wilden de gebruikers van de laaggelegen gronden het bemalingspeil verlagen, ook als de gebruikers van de hoger gelegen percelen de waterstand reeds laag genoeg vonden.8) Deze strijd om het polderpeil kon het polderbestuur beëindigen door de laaggelegen delen van de droogmakerij te voorzien van eigen kaden en bemaling. Maar dan rees de strijdvraag, wie de kosten van deze buitengewone voorzieningen moest dragen. De Wildevenen is een polder met gering niveau verschil, maar ook hier sukkelde men enige tijd met de bemaling van de laagste grond, die in het oostelijk deel van de polder ligt.

 

 

Zes molens en een zevende voor het oosten

Bij het ontwerpen van de bemaling hadden de bedijkers met het niveauverschil rekening gehouden. Voor de droogmaking had de Wildevenen geen eigen bemaling. Zij stonden in open verbinding met de Catgis- of Katjespolder onder Zevenhuizen, waar toen al molens het water op de Rotte uitsloegen.

 

Om de drooggemaakte Wildevenen te bemalen werden aan de Oude Leekade zes molens gebouwd, in twee gangen gerangschikt, zodat er twee zogenaamde bovenmolens waren.

 


afbeelding12

 

Foto naar schilderij van Marius J. Richters 1926 (hoogheemraadschap Schieland Rotterdam).

 

 

Op de afbeeldingen vóór 1924 ziet men, dat vijf molens met riet gedekte bovenkruiers waren van het kloeke en toch sierlijke Zuid-Hollandse type; de zesde molen was een grote wipmolen.

 

 

De molenaar

Op elke molen woonde een molenaar met zijn gezin. In de 17e eeuw kreeg deze voor zijn diensten van het polderbestuur op de schepradmolens f 100,—tot f 120,  per jaar, op de schroefmolens f 72,— tot f 80,— per jaar, plus een bedrag voor het aanschaffen van kaarsen, omdat hij licht moest hebben als hij des nachts maalde, en van reuzel en potlood om met elkaar vermengd op de kammen en dollen van het molenwerk te smeren teneinde de wrijving tussen de bewegende delen te verminderen.

 

Werd een nieuwe molenaar op een molen aangesteld, dan heette het, dat hij "op de molen klom". Hij stond onder toezicht van de molenmeester en werd aangenomen en ontslagen door het polderbestuur. In vele gevallen ging de molen over van vader op zoon. Landarbeid bij naburige boeren en een lapje grond bij de molen met een tuin en weide voor een enkele geit en koe moesten de molenaar, boven zijn bescheiden jaarwedde, aanvullende inkomsten in geld of natura verschaffen.

 

 

Platluis

Om het oostelijk deel van de polder droog te malen was een achtkante bovenkruier op de oostlandscheiding geplaatst, die het water uitsloeg op Rijnland. Reeds in het laatst van 1657 werd deze 7e molen verplaatst naar de plek, waar hij thans nog staat. Door de verplaatsing van deze molen vermeed het polderbestuur toekomstige complicaties, die zouden kunnen optreden als de Wildevenen bleven uitslaan op het vreemde hoogheemraadschap Rijnland.

 

Om de problemen met het hoogteverschil op te lossen werd bij wijze van voorlopige maatregel, in de zomer van 1661, het hoogste deel van de polder de Wildevenen van het laagste gescheiden door dammen in de tochten (hoofdwatergangen). Dammen op de plaats waar deze tochten de Middelweg kruisten, behalve in de Grote Duikertocht, waarop de Platluis maalde.10)

 

Op een vergadering op 25 november 1661 besloten de hoofdingelanden, dat de Platluis eerst zou mogen malen, als het water in de zogenaamde bovenpolder drie duim onder het zomerpeil zou zijn gevallen, zulks om de hoger gelegen gronden geen overlast met water aan te doen, "op pene van cassatie", d.w.z. dat de molenaar op de Platluis van zijn ambt vervallen zou worden verklaard (ontslagen), met verbeurdverklaring van zijn verdiende jaarloon ten behoeve van de kerk te Moerkapelle.

 

Voelde een der hoofdingelanden zich daardoor bezwaard, dan beloofden de anderen de genoemde dammen weer weg te zullen halen. In dat geval zouden de lager gelegen landen de mogelijkheid missen om hun waterstand beneden die van de hogere landen te verlagen. Deze regeling bleek op de duur niet te bevredigen, omdat zij volgens de hoofdingelanden ondienstig was voor de lage gronden in de "benedenpolder". Deze dienden namelijk tegen wil en dank als boezem (wateropslag) voor de hoge gronden. Dit als door veel regen, de waterstand in de Wildevenen boven het zomerpeil steeg. Ook ondervonden de lage gronden dan wateroverlast, dat vooral in de zaaitijd hinderlijk was. Omdat de hoofdingelanden percelen bezaten, op zowel de hoge als de lage gronden, ontstond er onder hen geen belangenstrijd en werd dit probleem, op een vergadering in oktober 1666, zonder bezwaar opgelost.11)

 

De scheidingsdammen zouden worden opgehoogd tot de hoogte van het maaiveld en het water in het lage deel van de Wildevenen mocht één voet lager worden gemalen dan het water in het hoge deel. Mocht het hoge deel te veel water krijgen dan die ene voet verschil, dan mocht de helft van het water, dat het hoge gedeelte meer op zijn peil had dan het lage deel, in dit laatste deel van de Wildevenen worden ingelaten. Dit alleen met toestemming van de molenmeesters. Deze situatie kon ontstaan als de molens op de Oude Leekade, door gebrek aan wind of door te harde wind geruime tijd niet op de Rotte konden uitslaan. Omgekeerd, als het lage deel meer water boven zijn peil had dan het hoge deel, dan mocht het de helft van het water, dat het eigenlijk te veel had, lozen op de hogere gronden van de polder, ten minste zolang de Wildevenen niet konden uitmalen op de Rotte.

 

"Want", zo zeiden de heren hoofdingelanden, "d'intentie is, dat een yegelyck, ist doenelyck, met alle syne landen even gelyck van de molens gedient werde ende syne landen op even hoogte boven water houde." Deze eenvoudige regeling schijnt tijdens het verdere bestaan van de droogmakerij naar tevredenheid te hebben gewerkt.

 

 

Elektrisch

In 1924 is de bemaling van de Wildevenen met windmolens vervangen door elektrische bemaling. Omstreeks die tijd werd ook Moerkapelle aangesloten op het elektriciteitsnet. Later zijn de buiten dienst gestelde molens "ontmanteld" (ontdaan van de wieken en de kap). Ook de zevende molen, die sinds zijn bouw de onaantrekkelijke, onverklaarbare naam van "Platluis" heeft gedragen. Hij maalde tot 1924 het water uit het gedeelte van de polder ten oosten van de Middelweg door de Grote Duikertocht naar de benedenmolen aan de west kant van deze tocht.

 

Na de droogmaking heeft op de Moersedijk enige jaren een achtkante schroefmolen gestaan, die polderwater uitsloeg op het land tussen Moersedijk en Zijde, dat behoorde tot het ambacht Zevenhuizen. Spoedig bleek, dat de diensten van deze molen door de polder gemist konden worden. Hij werd toen door het polderbestuur verkocht aan een zekere Dirck Jansz Houtzager, die in 1662 van Van Hogendorp f 500,  leende tegen een hypotheek op deze molen, toen "de Vliegende Beer" geheten. De molen zaagde voortaan hout, maar had waarschijnlijk te weinig emplooi, omdat er in deze afgelegen landbouwstreek weinig hout te zagen viel. In ieder geval is hij later afgebroken en naar elders overgebracht.

 

 

De kerk

De droogmaking van de Wildevenen was niet als compleet  zonder de bouw van een kerk. De zorg van de heren bedijkers strekte zich namelijk ook uit tot het godsdienstig leven van de nieuwe bewoners van de droogmakerij, althans voor zover dezen lid waren van de Gereformeerde kerk. De Gereformeerde kerk was in die tijd dan wel geen staatskerk, maar toch de officiële kerk van de Republiek en verreweg de meeste ambtsdragers waren er lid van. De regenten traden vaak op als begunstigers van kerkbouw in nieuwe bedijkingen, en de ambachtsheren onder hen fungeerden gewoonlijk als patroon van de te stichten kerk.

 

Soms werd al in het octrooi van bedijking voorzien in de middelen tot onderhoud van het kerkgebouw en van de armen in de nieuwe parochie. Bijvoorbeeld het octrooi voor droogmaking van de Beemster, gedateerd 1607, schreef voor, dat op elke honderd bedijkte morgen land één morgen bestemd zou zijn voor het onderhoud van de kerk en de armen.12)

 

De Wildevenen bezaten ten tijde van de droogmaking een kerkje, de eenvoudige kapel, waaraan het dorp Moerkapelle zijn naam heeft te danken en waarvan de afbeelding was opgenomen in het oude wapenschild van het ambacht, dat in 1817 werd vervangen door het huidige wapen.13) Dat gebouwtje was reeds oud, begon bouwvallig te worden en werd na de droogmaking, toen de bevolking van de polder toenam, te klein. De Staten van Holland, die de wereldlijke heren van de Gereformeerde kerk waren, verhieven in 1655 Moerkapelle tot een afzonderlijke kerkelijke gemeente en stonden de bewoners van „de Honderd Morgen" toe een eigen predikant aan te stellen.14)

 

 

De financiering

Nu moesten nog de middelen worden gevonden om de bouw van de nieuwe kerk te financieren. Van 1644 af had het ambacht, wegens de armelijke staat van de inwoners als gevolg van de vergaande vervening, geen verponding (grondbelasting) betaald. Toen de uitgeveende plas door de bedijkers voor droogmaking was aangekocht, kwam er opeens een aanmaning van de Staten van Holland om de achterstallige verponding te betalen: langer uitstel van betaling werd niet verleend. De Staten oordeelden blijkbaar, dat zij de belastingpenningen, die de arme veenlieden niet konden opbrengen, wel mochten vorderen van de kapitaalkrachtige bedijkers. De bedijkers, wie het zwaard van parate executie boven het hoofd hing, bevonden zich in verlegenheid. Zij klaagden, dat zij nog slechts drie jaren bezitters van de gronden in de Wildevenen waren.

 

Zij maakten echter van de nood een deugd en deden de Heren Staten het praktische en sympathieke voorstel, het bedrag van de achterstallige verponding te mogen aanwenden "tot opbouw van een bequaeme plaetse, alwaer Godes Heylig Woort tot noodigh van de gemeynte aldaer soude mogen werden gepredickt ende aengehoort". De Staten stonden op 11 augustus 1655 goedgunstig toe de achterstallige verponding, te rekenen tot het tijdstip, waarop de bedijkers eigenaar van de belastingplichtige landen waren geworden, ten bedrage van 4892 guldens en 18 stuivers, te mogen gebruiken voor de bouw van de kerk, mits de bedijkers de ontvanger-generaal hiervan behoorlijk rekening zouden doen.15)

 

 

6 stuivers op elke ton bier en één stuiver op elke stoop wijn

Dit bedrag was natuurlijk niet voldoende voor de bouw van een kerk. De ambachtsheer van Moerkapelle en de Wildevenen, de schout, regeerders, kerkmeesters en ingelanden van de heerlijkheid richtten daarom een verzoekschrift aan de Staten van Holland, waarin zij mededeelden, dat ze een som geld op deposito hadden gelicht, d.w.z. hadden geleend, die echter ontoereikend was voor de kerkbouw. Daarom en "om de optimmering van de kerk te voltrekken" en "ter eeren Godts ende tot voortplantinge van de ware Gereformeerde religie" omdat "de confluentie van 't volck door den Godtvruchtigen yver der leeraren dagelycx meer en meer accresseerde"16), vroegen ze een octrooi aan. De indieners vroegen de Staten een octrooi van 25 jaar, voor het heffen van 6 stuivers op elke ton bier en één stuiver op elke stoop wijn, die in de heerlijkheid zou worden geconsumeerd, van één stuiver van elke vreemde wagen en van een halve stuiver van elk beest, die de heerlijkheid zouden passeren, alsmede van een oortje van iedere ton turf, die aldaar zou worden gestoken.

 

Deze tolgelden en heffingen waren laag en bescheiden, maar zouden bijdragen tot een verheven doel. De vindingrijkheid der supplianten (indieners) strekte zich nog verder uit. Het verlaat bij de Holvoeterbrug, dat toegang gaf tot de Rotte, was reeds 28 jaar geleden het laatst vernieuwd en verkeerde thans in tamelijk vervallen staat. De supplianten verzochten nu van elke schuit, groot en klein, en van elk schip met turf boven de 100 ton acht stuiver te mogen innen. De helft van dit sluisgeld zou worden gebruikt voor verbetering en onderhoud van het verlaat en de andere helft tot opbouw en onderhoud van de kerk; verder wilden de ingelanden een halve stuiver heffen van iedere passagier op die schuiten, welke halve stuiver geheel ten goede zou komen aan de kerk.

 

Op 27 september 1663 werd dit verzoek door de Staten grootmoedig ingewilligd. De bestemming van het sluisgeld van het verlaat voor de kerk van Moerkapelle is waarschijnlijk de verklaring, dat de benaming Moerse vaart later in onbruik is geraakt en vervangen door de aanduiding „het Kerkewater". De bedijkers bestemden bovendien in 1663 nog de helft van de pacht, welke hun toekwam van het land tussen de Moerse Zijdewind en de Moerse kade, voor de kerk.

 

Ook van elders werd subsidie ontvangen. De Provinciale Staten en de besturen der Hollandse steden gaven in de 17e eeuw meermalen bijdragen tot het stichten van soms tamelijk veraf gelegen Gereformeerde kerken. De stad Haarlem nam onder deze schenkers een eervolle plaats in.17) Op 22 maart 1660 schonk de vroedschap van Haarlem f 250,-- aan de kerkelijke gecommitteerden van Moerkapelle. Deze gift zal vermoedelijk mede zijn te danken aan de aanbeveling door twee van de bedijkers van de Wildevenen, t.w. Balthasar Coymans, die lid was van de Haarlemse vroedschap, en de Haarlemse koopman Johan Herrewijn jr.

 

 

 kerk2

 

 

 

 

Vermoedelijk omstreeks 1662 is begonnen met het bouwen van het een nieuwe kerk in de Wildevenen. Het verrees op een verhoogde plaats op hetzelfde niveau als de dorpsstraat en de ringdijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In zeer eenvoudige stijl, maar met kloeke afmetingen, zodat de kerk 18) eeuwen lang voldoende ruimte bood om de gemeenteleden plaats te verschaffen. De bouw werd op zeer solide en hechte wijze uitgevoerd. De bouwmeester van de kerk is helaas niet bekend.

 

 

Murk Daniël Ozinga

Ozinga was een vooraanstaand Nederlands (kunst-)historicus, gespecialiseerd in de architectuurgeschiedenis. Zijn belangrijkste werk was De protestantsche kerkenbouw in Nederland: van Hervorming tot Franschen tijd uit 1929.19  Hij rangschikt de kerk van Moerkapelle onder "Hervormde zaalkerken", die een rechthoekig grondplan en een forse toren hebben en zeer sober van stijl zijn. „Goede voorbeelden van zulke dorpskerken met vrijstaande statige toren zijn de kerken Beemster en Hazerswoude, met ingebouwde (toren) en die van Moerkapelle", aldus dr Ozinga.

 

 

 keyserkerk

 

 

De eerste van dit soort kerken is gebouwd in de Beemster, na de droogmaking (1622-1623). De kerken van Moerkapelle en Hazerswoude vertegenwoordigen een later 17e eeuws type.

 

 

 

 

hazerswoude

 

 

 

 

Opvallend aan de kerk van Hazerswoude is de toren, die in 1646 is opgetrokken.

 

 

 

 

 

 

De kerk te Moerkapelle krijgt meer aandacht: „Het gebouw heeft beeren met ingezwenkte buitenlijn, inwendig corresponderende met dubbel zoo breede pilasterachtige uitmetselingen, op welke gedeelten muurwerk de hoofdspanten der kap twee aan twee rusten. De wanden van den, evenals te Hazerswoude vlakopgaande toren met sterk inspringende lage bovengeleding — ditmaal door een eenvoudige naald afgesloten — worden aan zuid- en noordzijde tot op grote hoogte ondervangen door ronde spaarbogen", aldus dr Ozinga.

 

Het dak der kerk is een stevig geconstrueerd tongewelf, dat eerst onlangs behoefte aan enige reparatie heeft vertoond. Boven ingang in de toren bevindt zich een fronton: een gebeeldhouwd reliëf, met het jaartal 1667, het jaar waarin de kerk is voltooid. Met links het geslachtswapen van de ambachtsheer Daniël Hogendorp, t.w. een rad op een "veld", en rechts het wapen zijn vrouw Ida Maria Hooft, bestaande uit een manshoofd met doek om de slapen gewonden.20)

 

Een schrijver vermeldt in 1796 dat de kerk, zoals veel kerken in ons land destijds hadden, fraai gebrandschilderde ramen bezat. Bijzondere ramen met de wapens van de heren Van Hogendorp en Coymans, die van de Admiraliteit op de Maze, die van de stad Rotterdam en die van Gouda.21) Door een storm of ander onheil zijn die ramen echter in de 19e eeuw verloren gegaan. De wapens van de Admiraliteit op de Maze en van Rotterdam zijn symbolisch voor de band, welke er ontstond tussen het ambacht de Wildevenen enerzijds en de Rottestad anderzijds.

 

Wij moeten dan even vooruitlopen op de geschiedenis van de droogmakerij. Tot zijn dood in 1673 bleef Van Hogendorp ambachtsheer en hoofdingeland van de Wildevenen en patroon van de kerk te Moerkapelle. Hij overleed kinderloos op 30 maart 1673 te Rotterdam en werd op 2 april begraven in de Grote kerk aldaar. Na zijn dood bleken zijn financiën zich niet in rooskleurige staat te bevinden. Zijn weduwe kwam daardoor spoedig in geldelijke moeilijkheden. Om een vordering van f 7000-- te innen kreeg een van haar schuldeisers van het Hof van Holland een "acte van willige condemnatie" tot verkoop van de heerlijkheid Moerkapelle en de Wildevenen.

 

Op 8 maart 1677 vond de openbare veiling plaats en werd de stad Rotterdam koper voor f 9225,--.22) Deze stad werd in de loop van de 17e eeuw door aankoop ambachtsvrouwe van de meeste omliggende ambachtsheerlijkheden. De stad verwierf daardoor ook het recht als patroon van de kerk de predikant in die heerlijkheden te benoemen. Er ontstond dus ook een kerkelijke band tussen Rotterdam en het kleine Moerkapelle.

 

moerkapellekoorhek

 

 

 

 

 

Een blijk daarvan is het houten hek, dat zich thans in de dorpskerk bevindt. Dat hek is een geschenk van de Grote of Sint-Laurenskerk te Rotterdam, waar het stond, totdat het werd vervangen door het bekende koperen koorhek.

 

 

 

 

 

 

 

Op het hek in de kerk te Moerkapelle prijkt daarom nu nog het stadswapen van Rotterdam. Ook is de kerk in het bezit van twee mooie koperen lichtkronen geweest; deze zijn evenwel verkocht, toen de kerkenraad in geldnood verkeerde, een bewijs, dat het de heerlijkheid niet altijd economisch voor de wind is gegaan.23)
 

 

 

  Voetnoten

1) Gemeente-archief Den Haag, 104/170.

2) Polderarchief Wildevenen, inv.no 35.

3) De Roever, J. A. Leeghwater, blz. 106.

4) Polderarchief Wildevenen, inv. no 35.

5) Polderarchief Wildevenen, inv. no. 37.

6) De Roever, J. A. Leeghwater, t.a.p.

7) Polderarchief Wildevenen, inv.no 28. De opsteller van de inventaris van het polderarchief der Wildevenen geeft in zijn inleiding op deze inventaris de volgende uiteenzetting, waarbij m.i. wat te sterk de nadruk valt op her overwicht van het polderbestuur op het ambachtsbestuur in de Wildevenen: „Heemraden en hoofdingelanden hadden feitelijk alle macht; zij maakten keuren en ordonnanties op de dijken, wegen, slooten, molens enz. en hieven omslagen. Voor de finaneiëele administratie stelden zij een penningmeester aan. Ook de kroosheemraden werden door hen gezamenlijk en niet door den ambachtsheer alleen aangesteld en wel ten getale van vier instede van het gewone aantal van vijf. Zij heetten kroosheemraden, doch waren tevens molenmeesters en moesten worden verkozen uit de personen, die land in eigendom, huur of bedrijf hadden. De polder kwam door dit alles in eene eigenaardige verhouding tot het ambacht te staan, immers de voornaamste taak van het 17e en 18e eeuwsche ambacht was de zorg voor de polderwerken en deze werd aan het ambachts-bestuur, bestaande uit schout, ambachtsbewaarders en gezworenen of schepenen geheel onttrokken. Dit behield op waterstaatsgebied in hoofdzaak slechts de inning van de omslagen ten behoeve van het hoogheemraadschap Schieland. Verder behield het het geringe civiele bestuur in het dorpje en oefenden schout en schepenen de lage rechtspraak uit. Het machtigste college bleef echter dat der hoofdingelanden en wel, totdat het algemeen polderreglement voor de provincie Zuid-Holland van 1856 en het daarop steunend bijzonder reglement voor den polder van 1857 hieraan een einde maakten." (aangehaald uit P. Jansen, Het archief van den polder De Honderd morgen of de Wilde Vemen; Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven, deel 63, eerste deel 1920, bijlage 14, 's-Gravenhage 1922, blz. 753-794). De bovenstaande mening, dat de voornaamste taak van het ambachts-bestuur de zorg voor de polderwerken is, wordt op het voetspoor van J. V. Rijpperda Wierdsma in „Politie en justitie, een studie over Hollandschen staatsbouw tijdens de Republiek", Zwolle 1937, ontkend door Hallema. Deze wijst er op, dat ambachtsbestuur en polderbestuur elk hun eigen werkkring hadden, ook al hadden in beide colleges vaak dezelfde personen zitting. In de literatuur is het onderscheid tussen deze twee colleges en hun taak te dikwijls uit het oog verloren. Zie A. Hallema, Geschiedenis van de gemeente Dinteloord en Prinsenland in de zeventiende eeuw, Breda 1955, blz. 78-79.

8) Ter Veen, De Haarlemmermeer als kolonisatiegebied, blz. 95 e.v.

9) De schroefasmolens van de Wildevenen zijn mogelijk eerst tonmolens geweest, omdat de vijzelmolen eerst in het midden van de 18e eeuw ingang in ons polderland schijnt te hebben gevonden. Zie Doorman, Octrooien voor uitvindingen in de Nederlanden, blz. 62 en de octrooien daar vermeld. Jacob Kortebrandt, die in zijn Beschrijving van Schielandt en deszelfs geschiedenis, deel 2, 2e helft 18e eeuw, blz. 869-888, handelt over Moerkapelle en de Wildevenen, schrijft over de molens in deze droogmakerij: „Onder de zijn twee schroefmolens, die tesamen het water uit deze droogmakerij in Rotte malen en dus 14 voet en 4 duim hoog werken, dat de andere v met hare schepraden ook doen. Deze schroefmolens geven maar ongev< half zooveel water op als de schepradmolens, maar gaan veel lichter, c werken zij bij slappe winden meer dan de anderen; echter vinden de schE radmolens meer ingang bij de liefhebbers."

10) Polderarchief Wildevenen, inv.no 105.

11) Polderarchief Wildevenen, inv.no 28, resolutiën polderbestuur 5 en 25 nov. 1661 en 6 okt. 1666.

12) Resolutiën Staten van Holland, 21 mei 1607, octrooi voor droogmaking van de Beemster.

13) Zie Van Ollefen en Bakker, De Nederlandsche Stad- en Dorpbeschrijver, deel 5, afbeelding van Moerkapelle, waaronder het dorpswapen vácír 1817 staat weergegeven. Het stelt voor een eenvoudig kerkje aan de oever van een plas of meer. Het is vermoedelijk van jonge datum, want op de Wapen-kaart, uitgegeven door de Staten van Holland ter gelegenheid van de troons-bestijging van Willem III als koning van Engeland in 1689, komt onder de daar afgebeelde ambachtswapens dat van Moerkapelle en de Wildevenen niet voor. Bij besluit van de Hoge Raad van Adel van 21 december 1817 is onder vele dorpswapens ook dat van Moerkapelle herzien. Dit bestaat volgens de gekleurde afbeelding en de bijgaande beschrijving uit een veld van lazuur (d.i. blauw) met ter halver hoogte van het veld een golvende fasce of strook in goud, waarboven drie eenden en waaronder een lopende „vos" zijn afgebeeld, alle in goud. Elders wordt vermeld, dat in het wapen „meerlen" (da. merels) en een hond voorkomen. Zie A, Verheul Azn., Moercapelle voorheen en thans, Gouda 1925, blz. 6-7; op blz. 6 wordt abusievelijk vermeld, dat het nieuwe wapen reeds in de 18e eeuw werd gebruikt. De gemeentenaren van Moerkapelle hebben na de bevrijding in 1813 blijkbaar gezocht naar een fraaier en toepasselijker gemeentewapen. In de boven aangehaalde beschrijvingen hiervan blijkt verwarring te bestaan tussen eenden en meerlen, vos en hond. Volgens J. B. Rietstap, Handboek der wapenkunde, Amsterdam 1875, blz. 197, en L. Ph. C. van den Bergh, Grondtrekken der Nederlandsche zegel- en wapenkunde, Amsterdam 1861, blz. 38, worden de zogenaamde meerlen in een wapen altijd voorgesteld zonder bek en poten. De drie vogels in het Moerkapelse wapen hebben wel een snavel; hun gemis van poten is wellicht hieruit te verklaren, dat ze zwemmend zijn voorgesteld; de golvende fasce onder de drie vogels geeft namelijk volgens Van den Bergh, Grondtrekken enz., blz. 43, water weer. Ze zijn dus te beschouwen als eenden, een vogelsoort, die zich in de water-rijke omgeving van de Wildevenen veel vertoont. De springende viervoeter in het wapen is natuurlijk geen vos, omdat deze in Holland niet voorkomt, maar een hond, die men in verband met de eenden moet brengen, Het waarschijnlijkst is, dat het een jachthond betreft; op blz. 97 hebben wij vermeld, dat er door de hoofdingelanden in de Wildevenen werd gejaagd op gevleugeld wild en op hazen. Mogelijk echter stelt de hond geen jacht-hond, maar een kooihondje voor, dat de kooiker helpt bij het lokken van wilde eenden binnen de eendenkooi; het is namelijk niet uitgesloten, dat toen in en om de Wildevenen grote plassen bestonden, in deze streek het kooibedrijf uitgeoefend is.

14) Polderarchief Wildevenen, inv.no 28, 11. aug. 1656; S. Muller Hzn, De kerkelijke indeling omstreeks 1550, Toelichting op de kloosterkaart in de Geschiedkundige  Atlas van Nederland, Den Haag 1921, blz. 257.

15) Polderarchief Wildevenen, inv.no 28, 11 en 29 aug. 1656.

16) Polderarchief Wildevenen, inv.no 338 (373).

17) Ozinga, De Protestantsche kerkenbouw in Nederland van Hervorming tot den Franschen tijd, blz. 108 noot.

18) Wellicht bevatten de papieren in de consistoriekamer der Nederlands Her-vormde kerk te Moerkapelle nog gegevens betreffende de geschiedenis van het kerkgebouw. Overigens zijn ook van andere kerken in die tijd gebouwd de architecten onbekend gebleven voor het nageslacht.

19) Ozinga, blz. 108.

20) Van 0llefen en Bakker, De Nederlandsche Stad- en Dorpbeschrijver, 5, Moercapelle, en op hun voetspoor Van der Aa, Aardrijkskundig denboek van Nederland, i.v. Moercapelle, delen ten onrechte mede, dat de toren van de kerk te Moerkapelle naast het familiewapen van " Hogendorp dat van Coymans voorkomt. Het tweede wapen is niet Coymans, zoals blijkt uit A. A. Vorsterman van Oyen, Stam- en wapent van aanzienlijke Nederlandsche familiën met genealogische en heraldi. aanteekeningen, Groningen 1885, deel 1, plaat 21. Het is van Van Hogendorps echtgenote Ida Maria Hooft.

21) Aldus Van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek van Nederland, i.v. Moer-capelle. Wellicht stelde het gebrandschilderde raam in de kerk niet het wapen van Coymans, maar dat van Ida Maria Hooft voor; zie noot 20.

22) Gemeente-archief Rotterdam, afd. Heerlijkheden, no 299, fo 18 e.v.

23) J. Verheul Dzn, De Rotte met de Bleiswijksche meren en de omliggende gemeenten, blz. 157. — De kerk is in 1956 grondig gerestaureerd; zie „De Nederl. Herv. Kerk te Moerkapelle", Orgaan Hist. Ver. v. Zuid-Holland, dec. 1956.