Opmerkingen over de Hollandse droogmakerijen voor de negentiende eeuw

De turfwinning leidde tot ernstig landbederf

De vervening door de turfwinning leidde in in de 17e en 18e eeuw in west Nederland tot ernstig landbederf. Een ramp die in ernstige mate om zich heen greep en verontrusting bij de overheid wekte. Dit proces leidde echter in veel gevallen tot het aanwenden van kapitaal, arbeid en vernuft om een groot deel van het verloren land terug te winnen. Sinds het begin van de 17e eeuw zijn vele plassen in Noord- en Zuid-Holland en in Utrecht, die door vervening waren ontstaan, drooggemalen. Vooral in de 18e en 19e eeuw is hierdoor veel hoogwaardige cultuurgrond weer ter beschikking gekomen. De droogmakerijen in west Nederland hebben op enkele uitzonderingen na alle de volgende stadia doorlopen:

 

 

1. De onverveende toestand:

a. de ongerepte staat van min of meer drassig land, begroeid met laag houtgewas, afgewisseld met poelen en hoog geboomte, alleen geschikt voor jacht en visserij.

b. de min of meer gecultiveerde staat, geschapen door verwijdering van ruigte en houtgewas, kunstmatige afwatering door sloten en later inpoldering. De grond werd daardoor al naar gelang de doeltreffendheid van de afwatering geschikt voor turfwinning, hooiland, weiland of bouwland.

 

2. Ontstaan van plassen en meren:

De toestand, waarin het veenland door verwijdering van de veenlaag geleidelijk overgaat in plassen en meren.
Deze omzetting gebeurde door natuurlijk in de eerste plaats door de mens, die de veenlaag omzette in turf. De omzetting werd echter versneld door de natuur. Door afslag van restanten veengrond, ook in aangrenzende plassen. In het eerste hoofdstuk staat hoe dit proces zich voltrok, in midden Zuid-Holland en in het bijzonder in de Wildevenen.

 

3. Het resutaat:

 

De uitgeveende plas, die slechts aan vissers, vogeljagers, eierrapers en rietsnijders een sober bestaan verschafte.

 

4. De droogmakerij:

 

Ontstaan door uitmaling van de uitgeveende plas. Alleen plassen met een vruchtbare bodem, geen zand maar oude blauwe zeeklei, die de kosten van droogmaking kon vergoeden.

 

 

 afbeelding6

 

 

 

 

 

Afb. 6. HET SLAGTURVEN
Naar een 17e eeuwse gravure, uit A. Montanus, Beschrijvinge van Amsterdam, deel II, 1665

 

 

 

 

 

 

 

 


De twee mannen in het midden hanteren de baggerbeugel. Rechts op de voorgrond treedt een man met plankjes de baggerspecie vast en steekt een ander met een scherpe schop de bagger in turven. Links worden de turven opgestapeld om te drogen (vrouwen- en kinderarbeid).  Illustratie ontleend aan W. J. Diepeveen. De vervening in Delfland en Schieland tot het einde der 16e eeuw.


 

Molens en de durfkapitalisten

Er was een speciale combinatie van productiefactoren nodig om een droogmakerij tot stand te brengen. Allereerst was een technisch apparaat vereist, dat niet alleen in staat was de grote hoeveelheid water uit de droog te maken plas te malen, maar ook de droogmakerij te beschermen tegen overlast van hemelwater en van kwelwater, dat van buiten onder de ringdijk door  binnen drong.

 

Daar was veel kapitaal voor nodig, om de kostbare onderneming te financieren en voor (geschoolde) arbeid. Dat vroeg vooral om durf en ondernemersinitiatief, om nieuwe productiefactoren te combineren en organiseren.

 

Nederland bezat een voor die tijd doeltreffend droogmakingsapparaat in de windwatermolen, die voor het eerst wordt vermeld in 1408 in de omgeving van Alkmaar. 1) Deze vroegste molen was de ook nu nog nog bekende wipwatermolen of spinkopmolen. Op een pyramidevormig onderstuk kan de betrekkelijk kleine romp van deze molen met het wiekenstel naar de windrichting worden gedraaid of, in molentaal uitgedrukt, gekruid.

 

De wipmolen bezat grotere capaciteit dan de handmolentjes en paardenmolentjes, die voordien de kunstmatige afwatering van de polders bewerkstelligden. Hij was aanvankelijk een tamelijk zwak bouwsel en vond mede in verband met de hogere bouwkosten eerst geleidelijk ingang. Op den duur leverde hij een belangrijke bijdrage tot de beheersing van de waterstand in de polders, waardoor het land beter, en gedurende een groter deel van het jaar, werd drooggehouden en de opbrengst steeg.

 

Een grote verbetering van de wipmolen was de bovenkruier, die omstreeks het midden van de 16e eeuw in Holland werd uitgevonden. Bij deze soort molen behoeft niet de gehele romp, maar slechts de kap, die de molenas met de wieken herbergt, te worden gekruid. Het molenlichaam en het waterscheprad konden voortaan groter worden geconstrueerd, zodat de bovenkruier een grotere bemalingscapaciteit verschafte dan de wipmolen. De forse bovenkruier heeft in de 17e en 18e eeuw bij het droogmalen van meren grote diensten bewezen. Behalve het technisch apparaat was er ook kapitaal nodig voor het droogmakingswerk, veel kapitaal zelfs.

 

 

Gouden eeuw

Dat vermogen kwam er, toen omstreeks 1600 de handel en de nijverheid van de jonge Republiek een hoge vlucht namen (onze goude eeuw). Veel van het vermogen, dat in deze bedrijfstakken werd verdiend, zocht belegging daarbuiten. Het aantal beleggingsmogelijkheden was tot in de 18e eeuw echter gering. De effectenmarkt was nog van kleine omvang. In de steden vormden bouwgrond, woningen en bedrijfsgebouwen gewilde beleggingsobjecten. Op het platteland waren het de ambachtsheerlijkheden, die de belegger ook nog een waardige titel en maatschappelijk aanzien gaf. Ambachten gaven echter een bescheiden rendement en het aantal was te beperkt voor al dat belegging zoekend kapitaal.

 

Vanouds was grond de voornaamste belegging en omdat die grond in het waterrijke land schaars begon te worden, o.m. door de steeds voortgaande vervening, moest hij uitgebreid worden door inpoldering, droogmaking of ontginning. Het stedelijke kapitaal, dat in de voorgaande eeuwen in hoge mate een destructieve invloed op het platteland had uitgeoefend door de uitgestrekte verveningen en het belemmeren van de ambachtsnijverheid buiten de steden, heeft in de 17e en 18e eeuw een groot deel van deze schade hersteld door de droogmakingen. Ook arbeid als onmisbare productiefactor bij het droogmaken, speciaal geschoolde arbeid, die de technische kennis bezat, welke vereist was voor ingewikkelde waterbouwkundige werken. Goede waterbouwkundigen waren in ons land talrijker dan elders.

 

Sinds de vroege middeleeuwen moesten de bewoners van de lage helft van Nederland hun woonsteden steeds sterker tegen het water verdedigen en de techniek ontwikkelen het water te beheersen. Van de 13e eeuw af zwermden de Nederlandse waterbouwkundigen uit over West- en Midden-Europa. Wat de molenbouw betreft, ook deze stond in Nederland op de hoogste trap en er waren een groot aantal kundige molenbouwers in ons land.2) Men behoeft slechts het werk van ing. Doorman over octrooien in de 17e en 18e eeuw 3) op te slaan om te zien, hoeveel vakmensen en amateurs zich bezig hielden met het zoeken van verbeteringen en vernieuwingen aan de gangbare molentypen.

 

Tenslotte het ondernemersinitiatief. Ook hieraan was geen gebrek. Het bruiste in de laatste jaren van de 16e en in de 17e eeuw in de Republiek van ondernemingsdrift. Het tempo, waarmee in Holland de ene droogmakerij na de andere werd aangepakt, was zelfs zo hoog, dat een geschiedschrijver spreekt van een "bedijkingsepidemie" 4) en ook dat er door de bedijkers enkele vrij ernstige misslagen werden begaan.

 

 

De eerste droogmakerijen

Het eerste tijdperk van de droogmakingen loopt van de 15e eeuw tot het begin (Den Briel) van de Opstand in 1572. Deze vroegste droogmakerijen liggen in Noord-Holland en zijn van bescheiden omvang.5) De initiatiefnemers en kapitaalverschaffers waren in de jaren vóór de Opstand overwegend vermogende edelen, zoals de Egmonds en de Brederodes en hoge geestelijken, die de zelfde staat voerden als deze edelen, bijvoorbeeld de Utrechtse kanunnik en kunstschilder Jan van Schorel, die het initiatief nam tot de inpoldering van de Zijpe.6)

 

Deze rijke edelen en geestelijken sloten zich tijdens de Opstand merendeels aan bij de koning en verloren in het gebied, waar het Verzet zich staande hield, hun gezag en bezittingen. In de moeilijke jaren 1572-1590 werd er zoveel land geïnundeerd en leed de welvaart zoveel schade, dat er zeer weinig nieuw land werd gewonnen. Na 1590 konden handel en nijverheid vrijer ademhalen en spoedig trad een andere bevolkingsgroep op als verstrekker van de grote kapitalen, die nodig waren voor het voortzetten van de landwinning. Zij bestond uit de rijk geworden kooplieden, reders en fabrikanten in Holland en werd versterkt door het kapitaal en de ondernemingslust van hen, die uit België naar de afgescheiden gewesten in Nederland weken.

 

De overheid van de jonge Republiek liet zoveel mogelijk over aan de particuliere bedrijvigheid en nam geen deel in de droogmaking, omdat haar financiële kracht reeds zwaar werd belast door de oorlogvoering tegen Spanje. De Staten der provinciën steunden dit nuttige werk echter op andere wijze, nl. door het verlenen van privileges en belastingvrijheid voor bepaalde tijd.

 

De particuliere bedijkers in de 17e eeuw waren typische vertegenwoordigers van het zich destijds ontplooiende jonge kapitalisme. Dit verkeerde toen in de fase, die wij kenschetsen als commercieel kapitalistisch, omdat het handelskapitaal daarin domineerde, ook in de industrie; deze was nog ingericht als kleinbedrijf. 

 

De techniek was in dit tijdvak, dat duurde tot de industriële revolutie omstreeks 1800, overwegend empirisch en berustte slechts bij weinige deskundigen op een wetenschappelijke grondslag. Onder die deskundigen mogen wij met ere onze Simon Stevin noemen, die zich o.a, met de verbetering van de molen bezighield. De weinige machines, van vóór de industriële revolutie en de stoommachine, waren de wind- of watermolen of ze werden in beweging gebracht door menselijke of dierlijke kracht.

 

 

De ondernemers

De centrale figuur van het kapitalisme is de particuliere ondernemer, die ingespannen naar geldwinst streeft en daarbij ruime vrijheid voor zijn handelen opeist. Ook bij de particuliere bedijkers in de 17e en 18e eeuw was het overheersende motief de winzucht. Zij wilden een voordelige belegging voor hun vermogen in de vorm van vruchtbare cultuurgrond verwerven of bij wijze van speculatie de kavels, die hun toekwamen uit de drooggevallen landerijen, met goede winst van de hand doen.

 

Dr van Ravesteyn schreef over het leven en de mensen in deze tijd: „Jong en fel is dit leven, bewegelijk en dynamisch, tot het uitbundige, overmoedige en lichtzinnige toe. Jong is de Stad, jong is het Land, jong zijn deze menschen: Waaghalzen, als men wil, echte Renaissancemenschen, zonder veel moreele vooroordeelen, maar met een intensen levenslust en ondernemingsgeest".7)

 

Opvallend is het sterk persoonlijk karakter van de banden tussen de deelnemers in de droogmakingen. Het was tenslotte de tijd van de Oost- en de West-Indische Compagnie, naamloze vennootschappen met anonieme, onpersoonlijke banden. De bevolking van de Republiek telde niet meer dan twee miljoen zielen, het bestuur van de provinciën en steden was in handen van vermogende families, oligarchisch ingericht. Tussen de regenten, de kapitaalbezitters en de ondernemers bestonden talrijke familie- en zakenrelaties.

 

Bij het droogmakingswerk wogen de belangen van de stedelijke kapitaalverschaffers het zwaars. De belangen van de bewoners van het platteland waren ondergeschikt. De heren bedijkers traden vaak zelfbewust op en stoorden zich vaak weinig aan de belangen van de boeren en de kleine burgers, die bij het droogmaken van een meer dikwijls in het gedrang kwamen. Bijvoorbeeld omdat het aangrenzende land meer overlast van water kreeg of omdat de visvangst in dat meer onmogelijk werd. De belangen van de eigenaars van het nieuwe land botsten meermalen met die van de bewoners van het oude land.8) Maar al traden de bedijkers soms eigenmachtig op tegen de bewoners van het oude land, toch moeten wij ze, als pioniers van het herwonnen land, grote verdienste toekennen. Vooral vanwege het grote risico, dat zij bij de droogmaking liepen.

 

 

Het redement

De voorbereiding en de technische uitvoering van dit moeilijke werk schoten vaak tekort door gebrek aan deskundigheid, omdat de bedijkers uit prestige- of uit zuinigheidsoverwegingen niet altijd de hulp van ervaren waterbouwkundigen konden of wilden inroepen. Wegens de vele natuurkundige onzekerheden, die aan het droogmakingswerk waren verbonden, was het opstellen van een uitvoerige, betrouwbare kostenbegroting vaak zeer moeilijk. Bij tal van droogmakerijen vielen de kosten, net als de kwaliteit van het gewonnen land en de omvang van de voorzieningen voor bemaling en waterlozing, ernstig tegen.

 

In de meeste droogmakerijen graasden in de eerste jaren wel koeien, maar niet die met de gouden horens, welke de bedijkers zichzelf en anderen hadden beloofd. De schaapjes kwamen niet op het droge, zowel letterlijke als in figuurlijke zin. Vele bedijkers hebben pas vele jaren na de droogmaking rente van hun geïnvesteerde kapitaal kunnen trekken. Anderen hebben bij het droogmaken een groot deel van hun vermogen verloren. Toch werd dit riskante werk telkens weer met voortvarendheid voortgezet. Het ligt voor de hand, dat het droogmaken voor de bedijkers een gok was en het vooruitzicht op rijkdom het risico waard was. Alleen die investeerders, die een deel van hun vermogen op het spel zetten, zijn er op termijn beter van geworden.

 

 

Het Noorderkwartier

Omstreeks het jaar 1640 waren de grootste meren in het Noorderkwartier van Holland (West-Friesland) drooggemalen. Dat waren de Beemster, de Heer Hugowaard, de Purmer, de Wormer en de Schermer. Hierdoor kwamen in het Noorderkwartier nog slechts enige kleine plassen voor droogmaking in aanmerking. Het laatste van deze meertjes, dat tot land is gemaakt, heet het Noordeindermeer, ook wel Noordermeer of Noordschermermeerken geheten, met als aanhangsel het Sapmeertje.

 

De droogmakerij "de" Noordeindermeer is 168 hectare groot en ligt tussen de Schermer en de Beemster. Nog tijdens de droogmaking van het Noordeindermeer keken de bedijkers al weer uit naar een nieuw object om hun hartstocht voor het winnen van land te bevredigen. In het Noorderkwartier van Holland viel blijkbaar voor geruime tijd niets meer te bedijken. Daarom richtten zij het oog op het Zuiderkwartier. Hun aandacht viel niet toevallig op de Wildevenen, die destijds bijna volledig waren uitgeveend en tot water gemaakt. De eerste veenpolder in Zuid-Holland, die blijkbaar rijp was voor droogmaking.

 

Er bestaat grote overeenkomst in de verwikkelingen, die zich hebben voorgedaan bij de droogmaking van het Noordeindermeer en van de Wildevenen. De eerstgenoemde bedijking is zelfs te beschouwen als voorspel tot de tweede, ook al omdat verscheidene persoonlijkheden in beide werken een rol hebben gespeeld. Wij staan daarom eerst stil bij de droogmaking van het Noordeindermeer.

 

 

  Voetnoten

1) A. A. Beekman, Nederland als polderland, blz. 136.

2) Zie o.a. J. G. de Roever, Jan Adriaensz Leeghwater, Amsterdam 1944.

3) G. Doorman, Octrooien voor uitvindingen in de Nederlanden uit de 16e-18e eeuw, Den Haag 1949, Zaakregister blz. 337.

4) De Roever, J. A. Leeghwater, blz. 131, 160.

5) Keuning, Het Nederlandsche volk in zijn woongebied, blz. 127.

6) J. Belonje, De Zijpe- en hazepolder, Wormerveer 1933. Deze polder is overigens geen droogmakerij, maar een bedijkte schor of gors.

7)Van Ravesteyn, in Economisch-historische opstellen, geschreven voor prof. dr Z. W. Sneller, blz. 52.

8) De Roever, J. A. Leeghwater, blz. 74 e.v., 93, 111.