Droogmakerijen

 

 

Een droogmakerij is een bemalen gebied (polder) dat van oorsprong een meer, een ander groot open water of drasland was. Aangezien een droogmakerij vrijwel volledig naar menselijk inzicht kon worden ingericht, is het een ultieme vorm van een cultuurlandschap. Een cultuurlandschap is een landschap dat onder invloed van de mens is gevormd (ook het Bentwoud is een cultuurlandschap). Droogmakerijen komen in veel verschillende landen voor, maar nergens zoveel als in Nederland. Naar oppervlakte liggen 95% van alle Europese droogmakerijen in Nederland. Nederlandse ingenieurs zijn ook bij de totstandkoming van veel buitenlandse droogmakerijen betrokken geweest. De droogmakerij als landschapstype wordt in Nederland doorgaans niet erg hoog gewaardeerd, vooral vanwege de eentonigheid van het landschap. Internationaal is er echter zeer veel belangstelling voor.

 

 

Droogleggen van meren

De oudste Hollandse droogmakerijen dateren van de eerste helft van de zestiende eeuw. Het betreft in die tijd kleine meertjes in Noord-Holland die experimenteel worden drooggelegd met behulp van molens. In Nederland dateert de oudste schriftelijke vermelding van een windmolen voor de waterbeheersing uit 1407 en betreft een molen nabij Alkmaar. De eerste grote droogmakerij, de Zijpe, valt aan het einde van de zestiende eeuw droog.

 

beemster

 

 

 

Bekender zijn echter de zeventiende-eeuwse en latere droogmakerijen, waarvan de Beemster (1608-1612) de eerste belangrijke was. Deze polder staat sinds 1999 op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO.

 

 

 

 

 

De Wilde Veenen (592 hectare).

De Wilde Veenen wordt in 16e-eeuwse documenten beschreven als een afgelegen moerassig gebied. Het gebied was niet geschikt voor weide of hooiland, maar wel voor het delven van turf. Waar de turf was afgegraven of weggebaggerd bleef een veenplas achter. Daar was alleen voor visser of rietsnijder een bestaan mogelijk. Door afslag van de oevers van de plas dreigde steeds vaker overstroming van het naastgelegen land. Rond 1640 vatte jonker Warnard van der Wel het plan op tot droogmaking van de plas. In 1647 werd begonnen met de voorbereidingen. Onder ambachtsheer DaniĆ«l van Hogendorp werd de droogmakerij vanaf 1651 voortgezet en in 1655 kon het laatste deel worden verkaveld. In 1673, 1682 en 1715 kwam de polder onder water te staan en moest hij opnieuw worden drooggemalen. Na de droogmaking ontwikkelden de Wilde Veenen zich tot landbouwgebied, er werden verschillende boerderijen gebouwd..

 

 

De Zuidplas (4.143 hectare).

De droogmaking van de Zuidplas werd pas haalbaar in 1816, toen koning Willem I bereid was deze te financieren. In de jaren twintig van de 19e eeuw begon men er onder leiding van rijkswaterstaatsingenieur Jan Anne Beijerinck met de aanleg van ringdijken en de bouw van 30 molens. De 21 molens die bij Kortenoord (tussen Moordrecht en Nieuwerkerk aan den IJssel) het water via getrapte bemaling op de IJssel loosden, moeten een indrukwekkend molenlandschap hebben gevormd. De overige 9 molens stonden bij Waddinxveen.

 

kortenoord

 

Dit was de eerste droogmakerij in Nederland waar behalve windwatermolens ook stoommachines werden ingezet, in een later stadium werden ook twee stoomgemalen ingezet.

 

 

Gemaal Kortenoord

 

 

 

 

 

Door de Belgische opstand (1830) lag het werk tijdelijk stil, maar eind 1839 was de enorme Zuidplas droog en werd de polder als landbouwgrond in gebruik genomen. De Zuidplaspolder werd zo de eerste 'staatspolder'.

 

 

 

Haarlemmermeer (18.000 hectare).

Het Grote Haarlemmermeer, omstreeks 1500 ontstaan door het doorbreken van de landengten tussen het Leidse Meer, het (Oude) Haarlemmermeer en het Spieringmeer, was een gevaar voor zijn omgeving. Als gevolg van de heersende windrichting vond vooral aan de oostzijde van het meer oeverafslag plaats. Turfwinning maakte de oostelijke oever extra kwetsbaar. Smalle landstroken scheidden het meer van veenplassen die als gevolg van de turfwinning waren ontstaan. Doorbraak van deze landstroken zou tot aanzienlijke vergroting van het meer kunnen leiden. Vroeger of later zou dat tot een grote ramp leiden. De bestuurders van Amsterdam vroegen koning Willem I de regie in handen te nemen, omdat via de bestuurlijke weg geen oplossing te verwachten was. De drooglegging van de Haarlemmermeer was vooral een economisch probleem. Er was eigenlijk geen geld beschikbaar om het grote meer droog te malen. Dankzij koning Willem I lagen binnen korte tijd serieuze plannen op tafel voor de tot dan toe grootste drooglegging en hoewel de staatskas bijna leeg was bleek het gewaagde plan toch financierbaar.

 

 

cruquius

 

 

Inmiddels was besloten de droogmaking volledig met stoomkracht te verrichten: een unicum in die tijd, want tot dan werden vooral windmolens gebruikt.

 

 

Gemaal De Cruquius (bij Heemstede)

 

 

 

 

In 1845 werd eerst een proefstoomtuig gebouwd, het Gemaal De Leeghwater (bij de Kaag), dat in 1848 begon met het droogmalen. In 1849 werden de andere twee stoomgemalen in gebruik genomen: Gemaal De Cruquius (bij Heemstede) en Gemaal De Lynden (bij Osdorp). De gemalen werden vernoemd naar personen die initiatieven hadden genomen tot droogmaking. Uiteindelijk viel het meer op 1 juli 1852 droog.