Droogmaking der Wildevenen tot aan het faillissement van Warnard van der Wel

 

Nieuwe ambities

Ondanks de tegenslagen en twisten bij de bedijking van het Noordeindermeer en het Sapmeertje en nog voordat deze tot een goed einde was gebracht, wierpen verschillende participanten zich alweer op een nieuwe droogmaking, nl. die van de Wildevenen. Dit wijst, zoals eerder gezegd, op het heersen van een zekere bedijkingskoorts of speculatiewoede ten aanzien van grond. Dat de keuze viel op de Wildevenen, was niet toevallig. Ten noorden het IJ waren de voor droogmaking in aanmerking komende meren op een enkele uitzondering na alle drooggemalen en ten zuiden het IJ waren de Wildevenen op dat ogenblik de enige plas, die in uitgeveende staat verkeerde en rijp was voor bedijking.

 

 

Oude conflicten

Het lag voor de hand, dat bij de droogmaking de grote Berend Coenders van Helpen de leidende participant zou zijn. Maar al snel trad jonkheer Warnard van der Wel op als leider van de bedijkers. Evenals Luder Ottersen en Theobald van Hoochsteden was hij, voor de uitvoering van de droogmaking, vervuld van ambitieuze technische plannen. Hij droomde niet alleen van een nieuw, belangrijk verbeterd type watermolen, maar ook van een nieuwe baggermachine. Deze zouden de kosten van de droogmaking verlagen waardoor het, voor de heren participanten (en het meest voor Van der Wel zelf ), een zeer voordelige zaak werd.

 

In de zakenwereld, ook bij de vroegere droogmakingen, vinden we vaak twee soorten ondernemers. Ten eerste de nuchtere, scherp rekenende zakenlieden, die hun soms gewaagde speculaties en risico's binnen vooraf bepaalde grenzen houden. Ten tweede de stoutmoedige plannenmakers, uitvinders en promotors. Deze beschikken over ruime fantasie en laten zich daardoor verleiden tot royale toezeggingen aan hun compagnons. Ze vertrouwen op de deugdelijkheid van hun plannen en uitvindingen. Als deze laatste tegenvallen, kunnen zij echter hun verplichtingen niet nakomen en geraken zij in moeilijkheden. Zo is het hoogstwaarschijnlijk Luder Ottersen, Theobald van Hoochsteden en Andreas van Havervelt vergaan, en ook Warnard van der Wel, zoals hierna zal blijken.

 

 

Jonkheer Warnard van der Wel en zijn uitvindingen

Van der Wel was ongetwijfeld de man, die het initiatief tot het droogmaken van de Wildevenen nam. Bij de bedijking van het Noordeindermeer was hij een teleurgesteld participant, die zich beklaagde over benadeling door sommige mede participanten. Hij verdween toen naar de achtergrond, maar bleef een relatie houden met de bedijkers. Vermoedelijk wilde Van der Wel zijn technische denkbeelden in praktijk wilde brengen bij het droogmaken van het Noordeindermeer. Hij werd daarin gedwarsboomd door Luder Ottersen, die de technische leider Barend Kraeyvangers aan zijn kant had weten te krijgen. Ottersen wilde zijn eigen uitvinding toegepast zien en andere uitvindingen uitsluiten.

 

Bij de oprichting van de Noordeindermeercompagnie in 1643 was door de bedijkers overeengekomen om de uitvinding van Luder Ottersen en Van Hoochsteden toe te passen. Het is duidelijk dat Van der Wel in deze concurrentiestrijd aan het kortste eind heeft getrokken en van verdere actieve deelname heeft afgezien. Al snel na zijn bittere ervaring in het Noordeindermeer kwam hij met een ander project, waarmee hij zijn technische denkbeelden kon toepassen.  Dit was een andere droogmaking, namelijk die van de Wildevenen. Wat waren die nieuwigheden, waarmede Van der Wel zijn droogmaking tot een succes hoopte te maken?

 

 

Ing G Doorman

Die uitvindingen vinden we terug in het werk van Ing. Doorman betreffende Nederlandse octrooien in de 17e en 18e eeuw. De eerste uitvinding, waarvoor Van der Wel octrooi verkreeg, betreft een baggermachine. Op 9 maart 1645 verwierf hij van de Staten-Generaal de verlenging van een octrooi, dat vele jaren tevoren op 9 november 1627 was verleend aan een overigens onbekende Dominicus van Wesel cum sociis (= met deelgenoten). Dezen ontvingen voor 20 jaar patent voor een machine, die onder water kanalen uitbaggerde. Dit octrooi bezit echter in hoge mate de eigenschap, die zovele octrooien uit die tijd eigen is: het is zo vaag omschreven. Met of zonder opzet van de aanvragers, de aard van de uitvinding valt niet nauwkeurig te bepalen. De tekst van het octrooi 1) omschrijft haar als een "instrument, daermede door allerhande gronden alsulcke canaelen onder water connen gemaect worden, tot alsulcke eenparige wytte ende diepte, als nae gelegentheyt van elcke plaetse, 'tsy tot scheepvaert, waterlosinge ofte defensie deser landen dienstich ende noodich sal Beoordeelt werden; welcke instrumenten op een naer advenante ponte gestelt sullen connen werden, 4, 5, 6, 8 off meer, omme met ongelooffelycke voortganck een groot vack uyt te wercken tot alsulcke eenparige diepte ende wytte, als de gelegentheden van plaetsen sullen vereyschen ende toelaten".

 

 

Baggermachine

Ing. G. Doorman noemt dit apparaat een "kanaalgraafmachine". Waarschijnlijk moet men zich hierbij geen baggerkettingmolen voorstellen, die werkt met baggeremmers aan een ketting zonder eind, ook al wordt in enkele documenten in het polderarchief van de Wildevenen gesproken over de "moddermolen". Ing. Doorman vermoedt in sterke mate, dat het octrooi betrekking heeft op een zogenaamde lepelbaggermachine en wel van hetzelfde type als het model, dat in het bezit is van het hoogheemraadschap Rijnland te Leiden en dat hij als volgt beschrijft: het model bestaat uit een schip (de "popte" of ponton in Van Wesels octrooi) met zes lieren; elk van die lieren heeft aan weerszijden van de trommel een slinger voor handaandrijving. Om de trommel ligt een kabel, welks einden ieder naar een lepel gaan. De lier wordt dus afwisselend in de ene en de andere richting aangedreven en trekt daarbij telkens één lepel omhoog. De stelen der twaalf lepels (de "diepinstrumenten" in het octrooi) worden bestuurd door arbeiders, die op twee vlotten staan. Blijkbaar deponeren dezen de door de lepels opgeschepte modder eerst op hun vlotten. Wanneer de vlotten vol zijn, scheppen de arbeiders de bagger over in schuitjes, die elders lossen.2)

 

 

afbeelding7

 

De baggermachine werd in de 17e eeuw in hoofdzaak gebruikt voor het uitdiepen van havens en kanalen om deze beter bevaarbaar te maken. Van der Wel wilde haar dienstbaar maken aan het droogmaken van plassen. Voor dat doel moest de machine vóór de aanvang van het uitmalen door de watermolens, of althans zolang in de plas voldoende water stond om de machine te verplaatsen, sloten onder water uitbaggeren. Tijdens het uitmalen zou het water zich in die sloten verzamelen en daaruit worden afgevoerd, zodat de bodem eerder droog zou vallen en het graven van kavelsloten na dit droogvallen overbodig zou zijn.

 

Over het welslagen van deze interessante proefneming is verder niets bekend. Het enige, wat wij van de baggermachine weten, is, dat zij in 1651 gebroken en onklaar was en dat het ijzerwerk ervan toen is verkocht.3) Dat klinkt niet bemoedigend voor het succes van het apparaat. Vermoedelijk hebben de bedijkers, na Van der Wels deconfiture (faillissement), de kapotte baggermachine geruime tijd aan zijn lot overgelaten en daarna als oud roest opgeruimd.

 

 

 

De andere uitvinding, een wel heel bijzondere molen

Ook bij een andere uitvinding, waarvoor Van der Wel in dezelfde tijd octrooi verkreeg, was hij vermoedelijk niet de man, die door vlijtig en geduldig knutselen tot de oplossing van een technisch probleem was gekomen, maar trad hij eveneens op als promotor. Op 27 mei 1645 verleenden de Staten van Holland namelijk aan Van der Wel en aan een zekere Jan Ditlefs, die verder onbekend is, een octrooi voor een nieuw type watermolen. Deze werd aangedreven door mensen of paarden of door de wind. De uitvinding wordt omschreven als "verscheyde wercken, waerdoor het water met groote quantiteyt soodanich inder hoochte gebracht can werden door de middelen van paerden ofte wint, dat men daermede bequamelyck volmolens, om laeckenen te vollen, can doen gaen, ... als oock om pampiermeulens, coopermeulens ende andere diergelycke te dryven ..., onder welcke wercken alrede in model gebracht syn seeckere ovael schyff ende schyven, die het water door losch hangende ofte stilstaende pompen met soodaenigen quantiteyt in de hoochte brenght, dat het niet alleene genouchsaem is, om de boven verhaelde wercken te effectueren, maer oock meeren ende dieper wateren uyt te maelen, t'welck door een subtile hulpe soodanich gestelt ende gaende gemaect can werden, dat het één water het ander uyt sal dryven".4)

 

De octroyanten meenden twee problemen te hebben opgelost. Ten eerste de toepassing van de pomp bij de watermolen en de constructie van de pompmolen. De pomp bestond volgens een andere tekst van het octrooi 5) uit drie of vier "ventils" of zuigers per molen, die op en neer bewogen in buizen, welke afhingen in het omhoog te voeren water. Het constructiemateriaal was destijds voornamelijk hout, en daarom maakte men de pompbuizen niet rond, doch vier-, zes- of ten hoogste achtkantig. De aandrijving van deze zogenaamde 'plunjerpompen' geschiedde door een "ovael schyff",  een ellipsvormig rad, dat een ronddraaiende beweging omzette in een heen en weer gaande, of door een krukas met drie of vier bochten. De schijf of de krukas werden op hun beurt aangedreven door de molenwieken. Een kleine wipmolen zou met zes van zulke pompen bij een redelijk krachtige wind in 24 uur 300.000 tonnen water kunnen opvoeren tot een hoogte van 12 tot 15 voet, zo deelden de octrooi-aanvragers zelfbewust mee.

 

Een tweede probleem betrof het nuttig gebruik van het opgevoerde water. Met de pompmolen wilden Van der Wel en Jan Ditlefs niet alleen polderland van overtollig water bevrijden, maar ook een "houwer" of waterreservoir van omstreeks een halve morgen oppervlakte, omgeven door een kade, voeden. De pompmolen zou het water in dit reservoir malen en hieruit zou het water weglopen met een verval van 3 tot 4 voet, waarbij het een „besloten waterrad", d.i. een scheprad tussen twee krimpmuren gevat, moest aandrijven. De vernuftige gedachte van de octroyanten was, dat dit rad door een krukas ook pompen zou aandrijven, die eveneens water zouden opvoeren, "zoodat het eene water het andere zoude uitdrijven". Dit waterwerk zou in zijn geheel ten hoogste f 7000,— kosten en per etmaal 1.300.000 tonnen 6) water verzetten.

 

In plaats van pompen kon het besloten rad ook stampers in beweging brengen om lakens te vollen, lompen te verpulveren voor de papierbereiding of koper te pletten. Net als de pompmolen was het opvoeren van water door spierkracht of door wind, om dit water bij het afvloeien pompen of andere werktuigen te laten aandrijven, een geheel oorspronkelijke gedachte van Van der Wel. Men vindt dit tweede denkbeeld reeds terug in oudere Nederlandse octrooien van omstreeks 1600.7) Dit zoeken naar het perpetuum mobile, was op zichzelf geen slecht idee. De kracht van het uit een reservoir stromende water te gebruiken voor aandrijving van werktuigen was immers zo gek nog niet.

 

Het succes van de in de 17e eeuw geoctroyeerde uitvindingen hing echter af van de hoeveelheid en de hoogte van de wateropvoer. Hier lag het zwakke punt. Het was de vraag, of Van der Wels pompmolen, een van de eerste, die aan de praktijk werd getoetst, voldoende capaciteit bezat om het bij bemaling op te nemen tegen de beproefde, stoere scheprad-bovenkruier. Laat staan, om het grote waterreservoir te voeden. Overigens vond bij de droogmaking van de Wildevenen alleen het eerste denkbeeld toepassing. De pompmolen werd alleen gebruikt voor de verwijdering van polderwater en niet voor het voeden van een reservoir.

 

 

Hoe Warnard van der Wel zijn droogmaking hoopte te realiseren

Net als bij de droogmaking van het Noordeindermeer maken wij bij de Wildevenen eerst kennis met de heren bedijkers. De hoofdparticipanten waren jonkheer Warnard van der Wel, mr. Daniël van Hogendorp, Laurens van Swaanswijck, Johan Herrewijn, Balthasar Coymans, jonkheer Job van Brederode en Quirijn van Lobbrecht. De laatstgenoemde nam echter slechts voor twee kavels deel in de droogmaking. Sommige van deze heren kenden wij kennen al van de droogmaking van het Noordeindermeer, namelijk Van der Wel, Van Swaanswijck en Herrewijn. Aanvankelijk leek het, of Coenders van Helpen ook bij de Wildevenen als grootste participant de hoofdrol zou spelen. Hij trok zich echter spoedig terug en stond zijn plaats af aan Van der Wel.

 

 

Mr. Daniël van Hogendorp

Mr. Daniël van Hogendorp was een gewichtige persoonlijkheid in Rotterdam. Hij stamde uit het bekende geslacht van die naam, dat in de tweede helft van de 16e eeuw uit Schiedam naar het omhoogstrevende Rotterdam was verhuisd. De leden van de familie Van Hogendorp waren reders en kooplieden. Hun fortuin werd vergaard in de haringvisserij en de daarmee verbonden uitrustings-bedrijven, zoals de zeilmakerij en de nettentaanderij.

 

De vader van Daniël van Hogendorp, Cornelis Lenaertsz (overleden in 1658) was actief de handel. Daarnaast bekleedde hij functies in het stadsbestuur van Rotterdam.8)  De van Hogendorps bestemden, net als andere koopmansfamilies in die tijd, hun zonen graag voor openbare ambten. Dit opende de weg naar het patriciaat en een deftige adellijke of heerlijke titel. Daniël van Hogendorp werd dus geen koopman, maar regent. Hij ging rechten studeren in Leiden, waar hij in 1625 voor het eerst als student werd ingeschreven. Onder de welgestelde koopmansfamilies in de 17e eeuw was namelijk alleen de rechtenstudie in aanzien, omdat deze het bruikbaarst was voor het verkrijgen van een hoog ambt.

 

Na zijn studie lag zijn loopbaan in het stadsbestuur van Rotterdam voor hem gereed. Hij werd in 1634 schepen, in 1635 lid van de vroedschap, wat hij tot zijn dood in 1673. Hij werd in 1639 voor enige jaren burgemeester van Rotterdam (een burgemeester werd in die tijd gekozen voor een jaar, maar kon steeds worden herkozen). In 1640 werd hij dijkgraaf en baljuw van het hoogheemraadschap Schieland. De stad Rotterdam had namelijk in 1574 het recht gekocht het ambt van dijkgraaf en baljuw van Schieland te mogen bezetten. Hoge functies, burgemeester was een administratieve functie, maar als Buljuw sprak hij recht op een hoog niveau (ook in halszaken). Rotterdam dankt ook de bouw van het Schielandhuis aan onze "Heer van Moerkapelle". Moerkapelle en de Wildevenen bestond in die tijd uit 41 woningen. Rotterdam echter had bij de volkstelling van 1622 ongeveer 20.000 inwoners en tegen het eind van de 17e eeuw zouden dat er zelfs 50.000 zijn.

 

afbeelding10

 

 

 

 

Evenals andere regenten verwierf Van Hogendorp van de Franse koning de fraaie titel van ridder in de koninklijke orde van Sint Michiel. Kortom, Daniël van Hogendorp was een vermogend en aanzienlijk man, die vanzelfsprekend een groot deel van zijn vermogen had belegd in grond en ook belangstelling had voor het droogmaken van meren. In april 1650, dus vrij laat, huwde Van Hogendorp met de rijke erf dochter Ida Maria Hooft, uit een van de vele takken van het Amsterdamse koopmans- en patriciërsgeslacht Hooft. Hun huwelijk bleef kinderloos.

 

 

 

 

 

 

Laurens van Swaanswijck

De derde kapitaalverschaffer was Laurens van Swaanswijck, die wij ook ontmoetten bij de droogmaking van het Noordeindermeer en als schuldeiser van Reusner von Neustadt. Hij had zijn vermogen gedeeltelijk belegd in grond en boerderijen en interesseerde zich ook voor droogmakingen. Hij was een stadgenoot van Coenders van Helpen en Warnard van der Wel, die ook in Den Haag woonden. Hij heeft zich vermoedelijk door hen laten overhalen om deel te nemen in de herwinning van de Wildevenen.

 

 

Job van Brederode

Ook de vierde kapitaalverschaffer, jonkheer Job van Brederode, was een Hagenaar. Hij behoorde, zoals zijn naam aanduidt, tot een van de minder aanzienlijke takken van het oude adellijke geslacht der Brederodes. Hij woonde in Den Haag en hield zich bezig met uiteenlopende geldzaken. Door deze zaken werd hij betrokken bij de bedijking van de Wildevenen.9)

 

 

Balthasar Coymans

Een andere participant was Balthasar Coymans, die gehuwd was met Maria Herrewijn, een dochter van Johan Herrewijn, de Haarlemse koopman, die ook medebedijker in de Wildevenen was. De Coymans waren afkomstig uit Vlaanderen en leden van dit geslacht hadden hoge functies bekleed in dienst van Karel V en Hendrik IV. Andere leden legden zich toe op de handel. De stamvader van de bekende Nederlandse tak, Balthasar I, in 1555 te Hamburg geboren, vestigde zich, na een kort verblijf in zijn vaderstad Antwerpen, in 1592 in het snel opkomende Amsterdam.

 

De Coymans kweekten kinderrijke gezinnen, doch bezaten voldoende handelstalent om hun fortuin naar evenredigheid uit te breiden. Balthasar I stichtte in Amsterdam een vermogend handelshuis. Een van zijn tien kinderen, Balthasar II (1589-1666), werd heer van Streefkerk en trouwde met Maria Trip Eliasdochter, eveneens een lid van een aanzienlijk Zuidnederlands geslacht, dat uitgeweken was naar Amsterdam. De Coymans verzwagerden zich spoedig met vermogende Hollandse koopmans- en adelfamilies en werden weldra opgenomen in de regentenaristocratie.

 

Een andere zoon van Balthasar I, Joseph, werd heer van Bruchem en Nieuwwaal. Diens zoon Balthasar III, geboren in 1618, werd heer van Streefkerk en Nieuw-Lekkerland. Hij is de bovengenoemde Balthasar Coymans, schoonzoon van Johan Herrewijn en participant in de Wildevenen. Ook hij behoorde tot de ambtsadel van de Republiek: hij was schepen en raad van Haarlem en ridder in de orde van Sint Michiel. De zeer gefortuneerde Coymans bezaten verschillende fraaie hofsteden en landerijen in Noord-Holland.10) De naam van de noordelijkste molentocht in de drooggemaakte Wildevenen, die op de topografische kaart Koemanstocht heet, is vermoedelijk nog en herinnering aan de heer Coymans.

 

 

Quirijn van Lobbrecht

De laatste participant was Quirijn van Lobbrecht, controleur van de fortificatiën van de Republiek, woonachtig in Den Haag. Zijn vader was Frederick Matthijsz van Lobbrecht, werkmeester van de Staten van Utrecht en heeft de voor- en achterportalen van de voormalige Statenkamer aan het Janskerkhof te Utrecht ontworpen. Frederick, als bouwmeester nauw betrokken bij het ontwerp en de uitvoering van de stadsuitleg van Utrecht, is op 13-5-1644 in de Jacobikerk te Utrecht (één knecht, te laat in de kerk).

Quirijn (Crijn) was genieofficier, belast met het toezicht en het geldelijk beheer over de vestingwerken van de Republiek.11) Hij vertrekt in 1625 naar Nieuw-Nederland (= New York) en was daar als vestingbouwkundig ingenieur betrokken bij de bouw van het fort Amsterdam, bij de ingang van de Hudsonrivier, op de punt van Manhattan i.v.m. de handelsbelangen van de West-Indische Compagnie. Kreeg op 16-8-1631 van de Raad van State commissie als kwartiermeester. Bij zijn vele geldelijke transacties, aanbestedingen van vestingwerken en uitbetalingen, had Van Lobbrecht vermoedelijk gelegenheid tot het innen van bijverdiensten en die zullen zijn kapitaal beslist hebben versterkt.

 

Quirijn vervaardigde ook afbeeldingen van vestingwerken; stelde tussen 1634 en 1642 in opdracht van prins Frederik Hendrik een atlas samen van vestingwerken in de republiek. Hij vervaardigde in 1635 een kaart van de vesting Philippine in Staats-Vlaanderen. Hij woonde in 1642 in den Haag en behoorde in 1647 dus, tot de bedijkers van de polder De Wilde Veenen tussen Bleiswijk en Moerkapelle. Ook koopt op 21-12-1648, van Cornelis van der Sluijs, een hofstede met grond, genaamd "huysinge de Swaen", in het Gerecht Doorn . Op 26-5-1639 kocht Quirijn een huis aan de Veerkade in den Haag van Willem Jansz van Leeuwen en in juni 1648 koopt hij een perceel grond in den Haag. Quirijn van Lobbrecht werd geboren ca 1600 en begraven op 29-4-1661 te den Haag.

 

Wat zijn bezittingen in Moerkapelle betreft: op 3-11-1662 wordt een stuk land van 37 morgen met huis, erf, boomgaard etc. te Moerkapelle verkocht. Eigenaren waren de erfgenamen van Quirijn van Lobbrecht, t.w. Adriaen van Lobbrecht te Rijnbergh, Margaretha Vileers, weduwe, Cornelis van Lobbrecht, Quirijn van Lobbrecht de jonge en Anna Elisabeth Elers. De kopers waren Pieter van der Meulen en Jacob Blau, wonende te Rotterdam.

 

 

De aankoop van de ambachtsheerlijkheid

Nadat zijn oog was gevallen op de Wildevenen, wist Van der Wel, Coenders van Helpen te winnen voor zijn plan deze plas droog te malen. De eerste stap van de bedijkers was de aankoop van de ambachtsheerlijkheid van "de Moercapelle" en de Wildevenen, die tot dusver deel uitmaakten van de ambachtsheerlijkheid Zevenhuizen. Bij andere droogmakingen hadden de bedijkers vaak moeilijkheden met de afkoop van de rechten van de veeleisende ambachtsheren.12) Deze moeilijkheden werden bij de Wildevenen vermeden door de aankoop van de heerlijkheid over deze polder.

 

De heerlijkheid Zevenhuizen was van Charles van Bourgogne overgegaan op diens zoon Johan en door Johans erfgenamen op 18 september 1628 verkocht aan heer Hendrik Duyst van Voorhout. Diens weduwe, juffrouw Agatha Breman, deed de heerlijkheid van Moercapelle en de Wildevenen op 5 juni 1644 voor f 15.750,— over aan Warnard van der Wel, die haar kocht in naam en voor rekening van Coenders van Helpen. Bij de overdracht was getuige en borg voor de koopsom de bekende advocaat-fiscaal Dirck Graswinckel 13), schrijver over het staatsrecht, waarschijnlijk een goede bekende van Coenders van Helpen.

 

In het begin kon van der Wel blijkbaar Coenders van Helpen nog voor zijn droogmakerij interesseren. Op 9 augustus 1646 kwamen ze overeen, dat Van der Wel voor f 14.000,--, voor droogmaking van de Wildevenen, 100 morgen zou  laten bedijkenen.14) Kort daarna heeft Coenders zich echter uit deze droogmaking teruggetrokken. Misschien waren zijn aandacht en geldmiddelen nog steeds in beslag genomen door de bedijking van het Noordeindermeer. Mogelijk miste hij ook voldoende vertrouwen in de plannen van de fantasierijke Van der Wel.

 

Op 7 april 1647 machtigde hij Graswinckel tot verkoop van zijn aanspraken op de 100 morgen te bedijken grond in de Wildevenen. Koper hiervan was Laurens van Swaanswijck.15) Waarbij van der Wel, bij deze overdracht aan van Swaanswijck, nadrukkelijk aangaf "verband en hypotheek op alle voor de bedijking te gebruiken molens, schep- en diepwerk". Deze bepaling herinnert aan de rol, die van der Wels uitvindingen bij de droogmaking moesten spelen. De heerlijkheid kwam nu op zijn naam te staan en hij noemde zich voortaan 'heer van de Moercapelle en de Wildevenen". De volgende te ondernemen stap was het verkrijgen van een octrooi tot droogmaking, te verlenen door de overheid.

 

 

Octrooi (concessie)

In 1646 dienden Van der Wel en consorten bij de Staten van Holland hun aanvrage tot dit octrooi in. In hun verzoekschrift wezen zij op de desolate staat van de uitgeveende plas, die de plaats van de Wildevenen had ingenomen, alsmede van het aangrenzende Noordeinde van Waddinxveen. Zeer kort zijn de octrooi-aanvragers in het uiteenzetten van de voordelen, die de ondernemers van de droogmaking van deze plassen zouden ondervinden.

 

Andere verzoekschriften, waarin octrooi tot bedijking van een plas wordt gevraagd, weiden uit over de opkomende teelt van koolzaad, lijnzaad en andere nieuwe gewassen, alsmede over de uitbreiding van de vetweiderij (om de snel toenemende bevolking vlees te verschaffen) en de toeneming der bevolking, waardoor een stijgend aantal „huislieden" (d.z. landbouwers) en ambachtslieden wegtrokken naar Groningen, „Oostland" ( d.i. Duitsland), Frankrijk en Engeland. Deze lieden 16) zou de volksgemeenschap door het droogmaken van meren behouden, aldus de octrooi-aanvragers. Dit zou men het anti emigratie argument kunnen noemen.

 

 

De fiscale argumenten

Vooral het fiscale argument voor het droogmaken werd niet vergeten. De aanvragers wezen natuurlijk op de voordelen, die 's Lands schatkist zou hebben. Op de opbrengsten van de nieuwe cultuurgrond konden de Staten immers belastingen heffen. Dit neemt echter niet weg, dat de bedijkers - en hun rechtsopvolgers in de eigendom van de drooggemaakte polders - na afloop van elk octrooi steevast verzochten om verlenging van de belastingvrijdommen, welke het verlopen octrooi hun verleende.

 

De gunsten, die de octrooi-aanvragers aan de Staten gewoonlijk verzochten, betroffen vrijstelling voor een aantal jaren van een lange reeks belastingen. Vrijstelling ter aanmoediging van hun riskante onderneming en ter verlichting van hun hoge kosten.  Deze belastingen werden geheven als accijns op allerlei verbruiksartikelen, maar ook de grondbelasting (de verponding  en van de veertigste penning op de overdracht van onroerend goed. De bedijkers van de Wildevenen vroegen vrijdom van belasting voor 30 jaar, in het bijzonder voor de grond, waarop de ringdijk rondom de droogmakerij aangelegd zou worden en voor het land, dat voor de aanleg van deze dijk zou worden afgegraven. Deze grond zou namelijk zoveel minder dan gewone cultuurgrond opleveren.

 

 

Het dreigende water

Het derde argument voor droogmaking was van defensieve aard en betrof de dreiging van het water. In de latere octrooien na 1650 verleend, kwam zelfs niet meer de landwinning, maar het verdedigen van bestaande dijken op de voorgrond te staan. De dijken beschermen tegen de golfslag, van de door de vervening steeds groter wordende veenplassen, werd het sterkste argument.

 

De Staten van Holland hebben niet al deze verzoeken ingewilligd. Zij stonden wel de droogmaking van de Wildevenen, maar niet de gedeeltelijke droogmaking van het Noordeinde van Waddinxveen toe.17) Dit is begrijpelijk, omdat het Noordeinde volledig onder Rijnland hoorde en met een zware dijk, die dan een nieuwe landscheiding tussen Schieland en Rijnland zou vormen, zou moeten worden omgeven. Bij een dergelijke belangrijke wijziging van de situatie was de kans op langdurige conflicten tussen Schieland en Rijnland groot. De bedijkers van de Wildevenen moesten hierdoor accepteren, dat hun droogmakerij blootgesteld zou blijven aan de golfslag van het water in het uitgeveende Noordeinde.

 

 

Belastingvrij

De Staten verleenden vrijdom voor 15 jaar en niet voor 30 jaar, zoals gevraagd was. Vrijdom van: "alle gemenelands ongelden" (= lasten), te weten de verpondingen (de grondbelastingen), de 40e penning (omzetbelasting over onroerend goed), hoorngelden (de belasting op rundvee), oorgelden (de belasting op paarden, die geen horens, doch alleen oren dragen!), de belasting op bezaaide en beplante landen, fruiten (uit boomgaarden), grove waren (bouwsteen en kalk) en nog enige belastingen. Deze vrijstelling van belasting zou ingaan direct na de verkaveling van de drooggevallen gronden, wanneer zij belastingplichtig zouden worden.

 

 

Belastingvrij schenken

Een belastingvrijheid, die de bedijkers van een droogmakerij in de 17e eeuw zelden verzuimden aan te vragen, was de vrijdom van de impost van de bieren (accijnsvrijdom), die gedurende de droogmaking door de supplianten (de octrooi-aanvragers), hun opzichters, polderjongens en ander personeel gedronken zouden worden. Ook de droogmakers van de Wildevenen vroegen en verkregen deze faciliteit. Voor de vaten spiritualiën, die in de droogmakerij werden aangevoerd en de barakken van de polderjongens werden binnengerold, moest de pachter der accijnzen "cedeltjes" (bewijzen van accijnsvrijdom), afgeven. De polderjongens en hun opzichters verdienden hun goedkope kan bier echt wel. Het water in de nieuwe droogmakerijen was meestal slecht drinkbaar. Het leven in barakken, ver weg van steden en dorpen, was eentonig, er moest hard worden gewerkt, de huisvesting was slecht.

 

Toen de octrooi-aanvragers in 1652 om verruiming van hun bedijkingsoctrooi verzochten, vroegen zij ook accijnsvrijdom voor de wijnen. Deze wijnen zullen ongetwijfeld bestemd zijn geweest voor de heren bedijkers en voor de technische leiders van het droogmakingswerk. Accijnsvrije wijn voor de heren bedijkers en hun opzichters wilden de Staten echter niet toestaan.18)

 

 

Sjoemelen

De bedijkers van de verschillende droogmakerijen namen echter vaak de gelegenheid te baat om deze vrijdom zeer ruim te interpreteren. Daarom achten de Staten het op 8 januari 1700 nodig om bekend te maken, dat: alleen "dunne" of "kleine" bieren, door de arbeiders gedronken en een beperkt aantal vaten zwaar of dik bier en wijn, te consumeren door de "officieren der dijckagie" (de opzichters, de landmeter en de penningmeester), vrijgesteld zouden zijn van de impost. De bedijkers, directeurs, schouten, gerechten, herbergiers en andere bijlopers waren uitgesloten van het genot van accijnsvrije drank. In het octrooi, op 27 september 1715 aan de Wildevenen verleend, herhaalden de Staten deze bepaling.19)

 

In de genoemde resolutie van 8 januari 1700 traden de Staten ook op tegen andere misbruiken bij droogmakingen. Zij gelastten de Gecommitteerde Raden - een college belast met de dagelijkse zaken - nauwkeurig het aantal morgens en het bedrag der verschuldigde verponding na te gaan. Ook besloten zij, dat in het vervolg geen vrijdom van de extra ordinaris verponding zou worden verleend.

 

Een belangrijk voorrecht, dat in alle octrooien, ook in dat van de Wildevenen, voorkomt, is het recht dat aan de bedijkers toegekend, om met meerderheid van stemmen keuren te maken tot uitvoering van de bedijking. Die keuren betroffen o.a. het onteigenen van grond ten behoeve van de droogmaking. De Staten stelden echter de voorwaarde, dat de eigenaren van deze grond behoorlijk "contentement" (schadeloosstelling) van de bedijkers moesten krijgen.

 

 

Het polder bestuur

Een ander voorrecht was het recht om na de voltooiing van de droogmaking het bestuur van de nieuwe polder of het nieuwe waterschap samen te stellen. Gewoonlijk kozen de bedijkers het eerste bestuur mensen uit hun midden. Op deze wijze hielden de bedijkers de zeggenschap in het beheer van hun droogmakerij. Wel binnen de grenzen die de keuren van het hoofdwaterschap stelden, maar hielden zij het ambachtsbestuur buiten de waterstaatsaangelegenheden.

 

 

Contrachten

Na het verkrijgen van het octrooi tot droogmaking ging Warnard van der Wel over tot het aannemen van werken voor de bedijking en tot het afsluiten van contracten met zijn medeparticipanten, waarin hij zich verplichtte voor elk van hen een aangegeven aantal morgens in de Wildevenen droog te maken tegen betaling van f 320-- per morgen. Hij nam daarbij het risico van de tijdige en deugdelijke uitvoering van het werk op zich.

 

Uitdrukkelijk sloten de andere bedijkers aansprakelijkheid voor verdere prestaties in geld of anderszins uit. Bijvoorbeeld de verplichting uit de opbrengst van de drooggemaakte gronden tienden te betalen aan de ambachtsheer, in casu Warnard van der Wel. Zij deden ook afstand van hun rechten op de vis, die bij het droogmaken eventueel zou worden gevangen, op de turf, die nog op de onteigende grond zou worden gewonnen en op andere bijkomstige baten van de bedijking.

 

Zij bedongen tenslotte met nadruk, dat zij ontheven zouden zijn van aansprakelijkheid voortspruitend uit het gebruik door Van der Wel van de eerder genoemde nieuwe diepinstrumenten en molenwerken. Hierbij spiegelden Van der Wels compagnons zich aan de bedijkers van andere droogmakerijen, bijvoorbeeld de Naardermeer, waarvan het octrooi dateert van 1623. Bij deze bedijking hadden de participanten zich door een waterbouwkundige laten overhalen op hun kosten een nieuw type molen met zeer brede schepraderen te laten bouwen. Het werd voor hen een ernstige financiële strop, want de molens bleken niet aan de hooggespannen verwachtingen te voldoen en moesten met hoge kosten worden verbouwd tot het gangbare type.20)

 

 

Termijnen

De bedijkers van de Wildevenen beloofden de aannemer van het droogmaken te betalen in 14 termijnen, elke termijn na het gereedkomen van een bepaald onderdeel van de bedijking:

 

  • Twee termijnen contant, d.w.z. voor de aanvang van het werk.
  • Als de ringdijk voor een kwart deel gereed zou zijn.
  • Als de ringdijk voor de helft gereed zou zijn.
  • Als de ringdijk voor drie kwart deel gereed zou zijn.
  • Als de ringdijk gereed zou zijn.
  • Als de bovenmolens (de hoogst geplaatste watermolens) gesteld zouden worden.
  • Als er een bepaald aantal voeten water uit de plas zou zijn gemalen.
  • Als het voorste deel van de polder tussen de Rotte en de Herenweg.
  • Als het achterste deel tussen de Herenweg en de oostlandscheiding droog zou zijn.
  • Als de ringsloot, de tochten en kavelsloten geschoten (volledig gegraven) zouden zijn.
  • Als de laatste termijn als de grond gereed zou zijn om verkaveld te worden.

 

Het begin

In de loop van het jaar 1647 zijn vermoedelijk de onteigeningen en andere voorbereidingen voor de droogmaking begonnen, en in 1648 zijn de kaden en dijken rondom de polder versterkt en met elkaar verenigd tot een ringdijk, die in het voorjaar van 1649 is voltooid.

 

De zuidgrens van de Wildevenen werd gevormd door de Moerse kade. Ten zuiden van de dijk lag een smalle strook land en stroomde de Moerse vaart, die liep van het verlaat bij de Holvoeterbrug langs het dorpje Moerkapelle tot aan de Donderdam op de landscheiding. Dit land en deze vaart behoorden tot het ambacht Zevenhuizen. De vaart werd aan de zuidzijde begrensd door de Moerse Zijde of Zijdewind, waarover de weg van Gouda naar Den Haag liep.

 

 

Al eerder molens

Vóór de droogmaking stonden de Wildevenen waarschijnlijk in open verbinding met de tochten in de aangrenzende Catgispolder in het ambacht Zevenhuizen en werden zij bemalen door de molens van deze polder. Waar de verbindingstocht de Moerse Zijde doorsneed, lag een brug. Van der Wel liet met toestemming van de hoge heemraden van Schieland deze brug vervangen door een dam. Hij sloot op deze wijze de enige opening in de ringdijk van de Wildevenen.21) Een groep nieuw te bouwen molens zou voortaan zorg dragen voor de bemaling van de nieuwe droogmakerij.

 

 

De vis en de laatste resten turf

Voordat het zover was hadden de bedijkers nog enig geharrewar met de in- en omwoners van de Wildevenen. Aan deze mensen was wel door de onteigening en de belofte van schadeloosstelling het eigendomsrecht van de gronden in de Wildevenen ontnomen, maar zij konden slechts moeilijk afstand doen van het gebruik van die gronden. Gronden maar eigenlijk water wat tijdelijk onbenut zou blijven, totdat de watermolens de plas zouden hebben leeggemalen, de verse grond zou zijn verkaveld en in gebruik genomen.

 

Dit geschil had zich reeds bij de bedijking van het Noordeindermeer voorgedaan. De aanleiding was daar was de vis geweest, die gemakkelijker was te vangen, naarmate de waterstand in deze plas daalde. De bedijkers beklaagden zich bij de Staten van Holland, dat de bevolking uit de omtrek ongeoorloofd de vis uit hun meer wegving en hun personeel, dat dit snode bedrijf trachtte te verhinderen, overboord dreigde te zullen gooien.22)

 

In de Wildevenen waren de laatste resten de turf aanleiding tot een klacht van de bedijkers bij de hoge heemraden van Schieland. De bedijkers klaagden dat de inwoners van deze polder rustig doorgingen met "te moeren" en "te slagturven". De bedijkers verlangden, dat dit zou ophouden, zodra de ringdijk gereed zou zijn. Het hoogheemraadschap Schieland verbood overeenkomstig hun wens bij resolutie van 12 maart 1649 aan de vroegere eigenaren de turfwinning in de Wildevenen 23).

 

Gedurende de onteigening ten behoeve van de droogmaking bleven vele inwoners van de Wildevenen ook nalatig, aan het polderbestuur hun polderlasten te betalen. Het bestuur, dat volgens zijn eigen woorden was gepaaid "met schoone woorden en beloften van betalinge", had de termijn, die was gesteld voor parate executie of snelle invordering, laten verstrijken. Het vroeg daarom aan het hoogheemraadschap Schieland deze termijn te verlengen om de achterstallige polderlasten alsnog te kunnen innen. Dit verzoek werd zonder bezwaar toegestaan.24)

 

 

Conflicten

Nog erger waren de moeilijkheden, die zich voordeden tussen de bedijkers. Er ontstond een ernstig wantrouwen van de medebedijkers ten opzichte van van der Wel. Op de vergadering, die zij op 18 november 1647 ten huize van van der Wel belegden, had deze veel moeite hun wantrouwen te bezweren door het doen van concessies. Hij moest beloven zijn medebedijkers de namen en de kredietwaardigheid van zijn participanten, te noemen. Verder moest hij, voor ten minste nog twee kavels participanten zoeken, buiten de reeds met medebedijkers gecontracteerde 16 kavels van elk 25 morgen oppervlakte. De bedoeling hiervan was blijkbaar het risico, verbonden aan de deelname door Van der Wel, te verspreiden over meer personen.

 

De aanleiding tot het ontstaan van dit wantrouwen tegen Van der Wel is vermoedelijk, dat de medebedijkers waren gaan twijfelen aan de deugdelijkheid van zijn technische en financiële opzet van de droogmaking. Op de genoemde vergadering werd ook bepaald, dat het "opnemen" van de droogmakingswerken, zou plaats vinden zonder de stem van Van der Wel. Dat betekende dat het goedkeuren van het voltooide aanbestede werk niet door van der Wel mocht worden gedaan. Hij was immers ook betrokken als aannemer en dus geen onpartijdige stem.

 

 

Het wantrouwen was groot

Tot arbiters in alle kwesties betreffende de bedijking, die zich tussen de participanten zouden kunnen voordoen, werden benoemd Daniël van Hogendorp en Dirck Graswinckel. Zij mochten samen een derde arbiter benoemen, waarbij gerefereerd werd aan het hoogheemraadschap Schieland. Van Hogendorp werd waarschijnlijk arbiter uit hoofde van zijn ambt van dijkgraaf voor Schieland Toch is zijn aanstelling als arbiter merkwaardig. Hij is ook medebedijker in de droogmaking, dus partij in deze zaak en geen neutraal persoon.

 

Tenslotte moest Van der Wel verzekeren, dat hij "bastant" (financiëel) in staat was, "omme de dijckagie te voltrecken, waerinne bij eenige der participanten wert gedifficulteert ende beducht sulcx tot haer ongelegentheyt niet te sullen werden gepresteert".25) De ambachtsheer van de Wildevenen zal op deze vergadering van bedijkers wel bittere ogenblikken hebben beleefd.

 

 

De molens en die rare pomp

Op 2 mei 1648 ging Van der Wel als aannemer over tot het aanbesteden van de bouw van twee achtkante watermolens; dit waren dus bovenkruiers. Het werk werd aangenomen door Cornelis Jacobsz, meester molenmaker te Voorschoten. Als model zou dienen de achtkante volmolen, die even buiten de Rijnsburgerpoort van Leiden stond.

 

Van der Wel behield zich het recht, 600 gulden op de aannemingssom van 4900 gulden per molen te korten, als hij de constructie van een waterrad tussen krimpmuren wilde vervangen door pompen. Dit waren ongetwijfeld de pompen, waarvoor hij octrooi bezat. De molenbouwer moest bij elke molen in een van de wanden een opening uitsparen om hierdoor eventueel de pompen aan te brengen 26).

 

Het bleek al spoedig, dat de zaken bij de bedijking niet gingen volgens de wensen der medebedijkers. Van der Wel had hun beloofd hun de pompmolens in werking te laten zien en aan hun oordeel over te laten, of zij al dan niet deze molens wensten te vervangen door schepradmolens. De medebedijkers kwamen, zagen en vonden het resultaat blijkbaar zo onbevredigend, dat zij van der Wel onmiddellijk aanzegden met bekwame spoed achtkante gewone watermolens, voorzien van schepraderen, te plaatsen.27)

 

Dat betekende onvoorwaardelijke afkeuring van de geoctroyeerde pompmolen. Natuurlijk was toen de ene bovenmolen, die omstreeks het midden van 1648 gereed had moeten zijn om te malen, niet op tijd voltooid. De molenmakers opperden bovendien bezwaren. Zij wilden eerst een nieuwe aanbesteding om te weten, hoeveel zij voor de verbouwing van de molen zouden krijgen. Zij stelden het hiervoor benodigde bedrag op f 2400,--. Nog erger, zij verlangden cautie (zekerheidsstelling) voor de gelden, die zij nog te goed hadden.28)

 

Blijkbaar was er bij hen ernstig wantrouwen gerezen tegen Van der Wels kredietwaardigheid. Al gauw was er een arbitrale uitspraak van mr. Graswinckel in een geschil tussen de bedijkers nodig. Op 9 mei 1648 deed mr. Dirck Graswinckel een uitspraak die van der Wel verplichtte, dat alvorens hij de vijfde "paey" (termijn) van de bedijkers mocht invorderen, hij zou aantonen, dat hij de eerste vier "paeyen" volledig had aangezuiverd. Dat betekende dat hij Job van Brederode en Laurens van Swaanswijck, moest aantonen dat het aangenomen werk, waarvoor de vier termijnen waren betaald, naar behoren opgeleverd was.

 

Van der Wel moest beloven de watermolens nauwkeurig en volgens het contract te bouwen. Een contract dat ongetwijfeld de pompmolen uitsloot en er voor zorgde dat kosten van de molens niet opliepen wegens achterstallige betalingen. Bleef hij in gebreke om de beloofde participanten er bij te werven, dan behielden de medebedijkers zich het recht voor, zoveel kavelbaar land of water uit te geven als zij nodig achtten. Dat betekende dat de medebedijkers zelf nieuwe participanten zouden zoeken.29)

 

Een ander geschil vereiste een tweede arbitrale uitspraak van mr. Dirck Graswinckel. Van der Wel beweerde, dat zijn medebedijkers de omslagen van de molens, sluizen e.a., die tijdens de droogmaking zouden vallen, moesten betalen, maar de medebedijkers ontkenden dat. De partijen riepen de arbitrage van mr. Dirck Graswinckel in. Als gevolg van zijn beslissing moest Van der Wel beloven binnen een maand de ene bovenmolen op te leveren en haast te maken met de bouw van de andere molens en met het aanbesteden van de binnenzijde van de ringdijk. Ook moest hij opnieuw de namen van zijn participanten te noemen. Dit waren de mensen, met wie van der Wel onderhands afspraken had gemaakt en die hij had overgehaald geld in de droogmaking te steken.30)

 

 

In het nauw

Uit deze voorvallen is duidelijk, dat Van der Wel steeds meer in het nauw kwam en dat hij zijn medebedijkers telkens meer zeggenschap moest toestaan, waar hij aanvankelijk als aannemer grote vrijheid van handelen had genoten. Het ging met zijn droogmakingsplannen en financiën bergafwaarts. Zover zelfs dat zijn financiële toestand kritiek werd.

Een enkel voorval, uit de nuchtere notariële protocollen, illustreert zijn afglijden naar de deconfiture (faillisement). Hij woonde destijds aan de Diamantring in Den Haag en voerde de staat van een vermogend heer, hield een rijtuig, enige paarden, een koetsier-huisknecht en twee dienstboden. Maar in mei 1649 kwam de leverancier van de haver voor de paarden om zijn geld vragen en mevrouw Constantia van der Wel geboren de Cocquiel moest, om hem tevreden te stellen, bij gebrek aan contanten hem toestaan het beste paard uit de stal te nemen en of het niet erg genoeg was, ook de twee jonge paarden, die onder Moerkapelle in de wei liepen, te halen. De haverkoopman is ook tot deze maatregel overgegaan.31)

 

Toen de droogmaking van de Wildevenen naar het oordeel van de participanten niet genoeg vorderde, in 1650 waren nog maar twee molens van de zes gereed, traden zij krachtig tegen hem op. Van der Wel bleek bij gebrek aan geldmiddelen niet bij machte  zijn verplichtingen als aannemer na te komen. Nog in 1649 deed Van der Wel verscheidene vergeefse pogingen de medebedijkers tot een bijeenkomst te bewegen onder belofte hun "volkomen genoegdoening te verschaffen". Hij kreeg daarbij de medewerking van Van Hogendorp, die de bedijkers opriep voor een vergadering te Moerkapelle, maar geen van de uitgenodigden verscheen. Van der Wel riep ook de tweede arbiter Graswinckel te hulp om de weerspannige bedijkers over te halen tot een bijeenkomst. Ook Graswinckel slaagde niet in zijn missie. Blijkbaar vonden de medebedijkers verder praten met Van der Wel nutteloos.32)

 

De medebedijkers begonnen een proces en verzochten het Hof van Holland om een mandement van arrest op de persoon en goederen van jonkheer Warnard van der Wel, heer van de Wildevenen. Als rede werdopgegeven, dat deze had aangenomen de droogmaking van de Wildevenen op zijn kosten en "perikel" (risico) te verrichten en de participanten hem alle daarvoor beloofde penningen en nog veel geld daarboven hadden betaald.  "Daervoren hij in plaetse van lant haer niet anders conde opleveren als een groote plas waters ende noch onopgemaeckte of te onvolmaeckte dycken, kaden ende wercken ende molens", zoals de bedijkers bitter opmerkten.

 

 

Gevangenpoort Den Haag

Het verzoek van de medebedijkers werd ingewilligd en jonker van der Wel ging in het najaar van 1650 in gijzeling op de sombere Gevangenpoort in Den Haag. Hij onderging dus hetzelfde lot als Andreas van Havervelt vóór hem en Luder Ottersen korte tijd na hem, vermoedelijk door een soortgelijke betreurenswaardige loop van omstandigheden bij hun droogmakingsplannen.

 

Om zijn gijzeling spoedig te beëindigen verkreeg Van der Wel op 9 december 1650 van het Hof (het hooggerechtshof van Holland) toestemming zijn schuldeisers op 27 februari 1651 te dagvaarden, om tot een soort akkoord te komen. Op die dag legde hij hun een inventaris van zijn eigendommen over, die echter volgens hun oordeel "slecht ende defectueus" was. De medebedijkers vreesden, dat de afwikkeling van het faillissement, door onenigheid onder de andere crediteuren van Van der Wel, te lang zou duren.  De droogmaking van de Wildevenen zou hierdoor vertraging oplopen,  zelfs schade zou ondervinden door "afspoeling van de onvoltooide werken door het water", dat naar hun zeggen, reeds ten dele was geschied.

 

De medebedijker verzochten daarom het Hof toestemming binnen veertien dagen de heerlijkheid van de Wildevenen, het octrooi der bedijking, de gronden en de andere eigendommen, die Van der Wel bezat, in openbare veiling te mogen brengen. Die toestemming werd onmiddellijk verleend.33) De relaties van de bedijkers met de advocaat-fiscaal van het Hof, Graswinckel, hebben zeker tot deze vlotte gang van zaken bijgedragen.

 

 

De bezittingen van van der Wel geveild.

Op 3 april 1651 werd in Den Haag de heerlijkheid Moerkapelle en de Wildevenen met de verdere bezittingen van Van der Wel in die polder geveild. Daaronder bevonden zich twee schepen met een "moddermolen" op beide schepen gemonteerd - ongetwijfeld Van der Wels geoctroyeerde baggermachine - en het octrooi van dit werktuig. Voorts 23 goede en slechte schuitjes, 3 modderschouwen, een jacht met bezaan. Een achtkante schepradmolen op de Oude Leekade (aan het noordeinde van de Rotte), het octrooi aangaande de wipmolen staande op die kade, ingericht voor pompwerken, alsmede het octrooi van deze werken.34) Koper van de heerlijkheid, de gronden in deze heerlijkheid en het octrooi der bedijking was met goedvinden van de andere participanten Daniël van Hogendorp, die de nieuwe ambachtsheer van Moerkapelle en de Wildevenen werd.

 

Spoedig na deze verkoping of wellicht reeds tevoren zal Van der Wel uit de gijzeling zijn ontslagen. Zijn vermogen, dat hij waarschijnlijk grotendeels in de droogmaking had gestoken, was echter verdwenen. In mei 1652 verklaarde zijn huisvrouw, dat zij sinds 27 februari 1651 "tot nooddruftig onderhoud van haar huishouding" en voor betaling van de exploiten van de deurwaarder geleidelijk een groot aantal stukken huisraad, meubilair en de inhoud van de linnenkast had moeten verkopen. Onder de nauwkeurig opgesomde artikelen bevonden zich o.a. schilderijen, namelijk negen "conterfeitsels van het geslacht", een schilderije zijnde een Andromeda", een "winterleen", een "frutage" (vruchtenstilleven) en twee "landschapkens".

 

 

Hulp van zijn dochter

Het droevige van deze uitverkoop wegens armoede wordt echter verzacht, als we zien, dat al deze familiestukken zijn gekocht door ... juffrouw Anna Lambertina van der Wel, de oudste dochter van Warnard van der Wel, die haar ouders blijkbaar de helpende hand heeft toegestoken, daarbij geholpen door haar echtgenoot.35) Zijn volwassen of bijna meerderjarige kinderen bleven gedeeltelijk gespaard voor de financiële verliezen van hun vader, omdat zij hun recht behielden op een flinke erfenis van een neef van grootmoederzijde, jonkheer Bernard Pels te Nieuw Vosmeer.36)

 

Een faillissement betekende in de 17e eeuw gewoonlijk eerverlies. Het is daarom niet vreemd, dat de verarmde jonker van der Wel Den Haag verliet. Een stad waar velen van zijn aanzienlijke vrienden hem wel de rug zullen hebben gekeerd. Hij vestigde zich in Delft , waar de bakermat van zijn geslacht was. Daar woonde ook zijn trouwe dochter Anna Lambertina met haar tweede echtgenoot en wellicht ook andere familie, die bereid was hem geldelijk of op andere wijze te steunen.

 

 

Laatste onderneming

Nog eenmaal horen wij van jonkheer Warnard van der Wel, kort voor zijn dood. Zijn fantasierijke, onverdroten plannensmedende geest blijkt actief te zijn gebleven tot zijn levenseinde. Van der Wels laatste onderneming betrof een reis naar een pas ontdekte barre uithoek van de wereld en had ten doel daar schatten te halen. De grote ontdekkingsreizen in de 16e en 17e eeuw hadden de aandacht gevestigd op het verre, onherbergzame ijs eiland Groenland. Er liepen in de West-Europese havensteden geruchten van Groenlands grote rijkdom aan edel metaal, dat aan de rand van deze ijswoestijn voor het oprapen zou liggen. Verschillende expedities werden — vaak in het geheim — naar Groenland uitgerust, onder meer door bewindhebbers van de Noordse Compagnie in Nederland. Sommige schepen brachten een lading mee van een of meer glinsterende ertsen, die de expeditieleiders in Groenland hadden aangetroffen. Keer op keer werd hun vondst waardeloos verklaard, maar de ijver tot het zoeken van schatten op dat pool eiland verflauwde slechts langzaam.37)
 

De opgewonden verhalen, die de ronde deden over de gewaande rijkdommen van Groenland, zijn ook Warnard van der Wel ter ore gekomen, toen hij zijn laatste levensjaren sleet in het rustige Delft. Onder de as van zijn bijna uitgedoofd leven begon weer een vonkje ondernemingsgeest te glimmen. Hij begreep intussen wel, dat in eigen land niemand meer vertrouwen zou stellen in zijn avontuurlijke plannen. Vooral wegens het fiasco, dat hij had geleden met zijn uitvindingen bij de droogmaking van de Wildevenen. Daarom probeerde hij het in Oost-Friesland, even over onze grens.

 

In 1654 stelde hij de graaf van dat landje voor om op grootscheepse wijze een goudmijn op een eiland in Straat Davis — dus op of bij Groenland — te gaan exploiteren. Er woonden "slechts weinige, onbeschaafde wilden (dat waren Eskimo's)", die geen moeilijkheden zouden veroorzaken. Voor dit doel wilde Van der Wel in Hamburg een schip van honderd last — ongeveer 200 ton inhoud — huren met 12 tot 16 kanonnen, 36 tot 40 man en proviand voor vier tot vijf maanden.38)

 

Het is niet bekend, of Van der Wel op dit voorstel antwoord heeft ontvangen. Hij is trouwens kort daarna in 1656 of 1657 overleden. Maar dit merkwaardige plan is een bewijs, dat zijn zelfvertrouwen tot zijn dood even levend is gebleven als zijn verbeeldingskracht. Hoe moet het oordeel van het nageslacht over Warnard van der Wel luiden? Zijn falen heeft de herinnering aan zijn optreden en persoonlijkheid lange tijd vertroebeld. Hij had immers te hoog gegrepen en te veel gewaagd en was daarbij niet geslaagd. Zijn experimenten, met al te lichtvaardig vertrouwen ondernomen, liepen uit op gijzeling, faillissement en vernedering. Hij heeft het werk aan de droogmaking van de Wildevenen niet kunnen voltooien. Het oordeel over zijn falen wordt verzacht door het tot stand komen van een vruchtbare droogmakerij. De inwoners van Moerkapelle hebben meerdere straten naar de bedijkers van het eerste uur genoemd, maar de eerste was de "Jonkheer van der Wel" straat.

 

warrnaart

 

 

Warnaart Hoeve

Toen in 1939 aan de Middelweg in de Wildevenen een nieuwe, grote boerderij werd gebouwd, gaf de eigenaar de boerderij de naam "Warnaart hoeve".

 

 

 Voetnoten

1) Doorman, Octrooien voor uitvindingen in de Nederlanden in de 16e-18e eeuw, no G 278, blz. 172.

2) Ing. Doorman heeft in „De Ingenieur", 1951, no 38 onder de titel „Hollandse oude baggermolens" o.a. de baggermachine van Dominicus van Wesel behandeld, welke hij houdt voor een lepelbagger. Van deze lepelbagger is een 18e-eeuws model bewaard bij het hoogheemraadschap lijnland te Leiden. Zie ook het artikel over oude baggermolens van ing. Doorman in „De Ingenieur" van 1941, A 101 en A 213,

3) Polderarchief Wildevenen inv.no 79.

4) Doorman, no G 218, blz. 214.

5) De volledige tekst van dit octrooi staat in de Minuten van octrooien der Staten van Holland 1647, Algemeen Rijksarchief Den Haag. Zie Bijlage II van dit werkje.

6) Ing. Doorman schreef mij, dat men elk van deze tonnen op ten minste 5% tot 5%2" kubieke voet mag schatten.

7) Doorman, blz. 334, Zaakregister i.v. Perpetuum mobile met eigen water.

8) Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, deel 2, 1912, i.v. Daniël van Hogendorp. Op deze plaats zijn hem evenwel verkeerde ouders toegedacht. Zijn vader was in werkelijkheid Cornelis Lenaertsz van Hogendorp, overleden 1658, zijn moeder was Hillegond Daniëlsdochter van Malsum. Zie voor deze correctie De Wapenheraut, 1913, blz. 299.

9) Gemeente-archief Den Haag, 78/269; 39/54; 163/347; 59/178.

10) Vorsterman van Oyen, Stam- en wapenboek van aanzienlijke Nederlandsche familiën, deel 1, i.v. Coymans, blz. 166-168.

11) Gemeente-archief Den Haag, 130/136; 36/227; 36/311.

12) De Roever, J. A. Leeghwater, blz. 89 e.v

13) Polderarchief Wildevenen, inv.no 28.

14) Gemeente-archief Den Haag, 100/102.

15) Gemeente-archief Den Haag, 100/100 en 105.

16) Groot Placaetboeck, deel 2, kolom 1691, octrooi voor bedijking van de Wieringerwaard, 6 sept. 1597; Resolutiën Staten van Holland 21 mei 1607, octrooi voor bedijking van de Beemster.

17) Polderarchief Wildevenen, inv.no 29, octrooi tot droogmaking van de Wildevenen, 6 okt. 1646; ook Resolutiën Staten van Holland 8 okt. 1646. Zie Bijlage I van dit werkje.

18) Polderarchief Wildevenen, inv.no 28, Ampliatie van het octrooi tot bedijking van de Wildevenen, 18 nov. 1652.

19) Resolutiën Staten van Holland, 8 jan. 1700, 27 sept. 1715.

20) De Roever, J. A. Leeghwater, blz. 129.

21) Polderarchief Wildevenen, inv.no 28, contract over het verleggen van de Moerse kade, 23 juni 1650.

22) Archief van het College der Uitwaterende sluizen te Alkmaar, inv. Noordeindermeer, no L 6, 3 aug. 1644.

23) Archief Schieland, inv.no D 9, fo 229vo.

24) Archief Schieland, inv.no D 9, fo 267, 26 aug. 1649.

25) Polderarchief Wildevenen, inv.no 30.

26) Gemeente-archief Den Haag, 43/389 en 428, bestek tot aanbesteding van twee watermolens.

27) Polderarchief Wildevenen, inv.no 31.

28) Polderarchief Wildevenen, inv.no 31.

29) Polderarchief Wildevenen, inv.no 32.

30) Polderarchief Wildevenen, inv.no 32.

31) Gemeente-archief Den Haag, 240/342 en 205/259.

32) Gemeente-archief Den Haag, 44/188; 239/78.

33) Polderarchief Wildevenen, inv.no 28; ook Algemeen Rijksarchief Den Haag, inv. Hof van Holland no 73.

34) Polderarchief Wildevenen, inv.no 28.

35) Gemeente-archief Den Haag, 45/67.

36) Gemeente-archief Den Haag, 198/5.

37) In 1576 nam de Engelse ontdekkingsreiziger Frobisher uit Groenland zwarte stenen mede, die na heet te zijn gemaakt en in azijn te zijn gedompeld, metaalglans kregen. Een Italiaanse alchemist beweerde uit die stenen een korrel goud te hebben gehaald. Een Londense compagnie zond daarop drie schepen uit onder bevel van Frobisher om een lading van dat erts te halen; zie P. A. Tiele, De ontdekkingsreizen sedert de vijftiende eeuw, blz. 159. Ook de kamers Hoorn, Enkhuizen en Delft van de Noordse Compagnie voor de walvisvangst rustten in 1617 gemeenschappelijk een schip uit naar ,,Staten-land'', dat was Baf finsland, met als nevendoel naast de walvisvangst daar het zogenaamde „Noordwesterts- te halen; zie G. W. Kernkamp, Stukken over de Noordsche Compagnie, Bijdragen en mededeelingen van het Historisch Genootschap, 19e deel, 1898, blz. 310. Waarschijnlijk zijn er nog andere Nederlandse expedities naar Groenland uitgezonden met als een der reisdoelen het zoeken van kostbare mineralen. Nog in april 1636 zond een Kopenhaagse maatschappij twee schepen uit naar Groenland, die in augustus van dat jaar terugkeerden met een lading blinkend zand, dat de expeditieleider voor goudhoudend hield.

38) Georg Sello, Oldenburgs Seeschiffahrt in alter und neuer Zeit, Pfingstblattter des Hansischen Geschichtsvereins, Blatt II, Leipzig 1906, blz. 23.